Jury rapport 2019

Download hier PDF


JURYRAPPORT JAN HANLO ESSAYPRIJS GROOT 2019  


 Was Jan Hanlo een essayist?
 
            Jan Hanlo was een dichter. Een briefschrijver en een schrijver van verhalen en stukjes. Het woord stukjes klinkt vreemd hier, onbenullig, terwijl wat Hanlo schreef nooit onbenullig was. Niet als hij schreef over het nikkelen staafje aan het stuur van zijn motor of de dood van de hond Knak; niet als hij schreef over de vrije wil waarover hij zei: ‘ik heb er in de loop der decennia vele notities over gemaakt, die – ik beken het – nooit tot een definitieve ontwarring van de knoop leidden.’ Jan Hanlo ontwarde geen knopen, hij wees ze aan. ‘Zet je klok eens op 17 voor 3’ schreef hij in een gedicht. ‘Vind je dat geen ongewone stand?’.
 
Jan Hanlo was een knoop-aanwijzer. Hij was ook: een diep verlegen man met een knagend overbewustzijn. Het type dat alles waarnam en meende dat iedereen kon zien wat er in hem omging. Je zou zeggen: het materiaal waar essayisten van gemaakt worden. Eigenzinnigheid erbij, een beetje monomanie en/of drankzucht, een flinke dosis durf en schrijftalent.
 
Overbewuste knoop-aanwijzers met schrijftalent. De genomineerden van de Jan Hanlo Esayprijs Groot 2019, Kester Freriks, Thomas Heerma van Voss, Jan Postma, Marja Pruis, Simon(e) van Saarloos en Carolina Trujillo, passen allemaal onder die Hanlo-paraplu. Een bewustzijn dat hen de wereld voortdurend doet bevragen, dat herinneringen in verband brengt met nieuwe ervaringen, kennis met nieuwsgierigheid, en dat in staat is te raken aan grote verhalen vanuit wat klein lijkt.
 
Hoe stilte klinkt als opeens de regen stopt. Dat bevlogenheid schaamte kan doen verdwijnen. Hoe een dobbelsteen het verhaal over ballingschap vertelt en hoe hedendaagse essayisten ‘ik’ zeggen. Hoe een knorrende maag verband houdt met ongemak over de Nederlandse rechtsstaat en hoe virtuoze voetbalskills maskerades van de angst kunnen zijn.
 
Deze opsomming is een kleine puzzel, die u kunt ontrafelen als u de zes boeken gelezen hebt die de jury van de Jan Hanlo Essayprijs dit jaar nomineerde. Het aantal inzendingen was dit jaar zóveel groter dan in eerdere jaren (niet vijftig boeken, zoals vorige editie, maar 112) dat er uiteindelijk zes boeken lagen die wij een perfect residu vonden van die hele stapel. Uit het feit dat het pas daarna écht moeilijk werd – hoe uit deze uitzonderlijk goeie boeken een winnaar te kiezen? – mag spreken dat ook de nominaties als kleine bekroningen te beschouwen zijn.
 
            De jury koos ieder van deze boeken om hun eigen, intrinsieke kwaliteiten maar behalve over die kwaliteiten gingen de gesprekken voortdurend over het genre van het essay. De eeuwige paradox is immers dat iedere definitie van het essay door een ander essay op losse schroeven gezet kan worden. Voor het essay bestaat een container vol passende begrippen: onderzoekend, verhalend, inventariserend, beschouwend, aanklagend, inventief, literair, persoonlijk. Maar dat begrip ‘passend’, daar wringt ieder goed essay zich onderuit. Zoals ook de genomineerden zich onder die hierboven geformuleerde Hanlo-paraplu zullen uitwringen. Op Hanloiaanse wijze.
 
Daarom: hier volgen de juryindrukken gekoppeld aan de blik en de pen van Jan Hanlo. Zes fragmenten uit zijn werk, naast zes fantastische boeken.

     1.     ‘Of is het állerbeste het zwijgen. Het zwijgen van de mooiste stemmen’
 
In zijn prachtig vormgegeven boek Stilte, ruimte, duisternis doet Kester Freriks een grote greep. Hij probeert in kaart te brengen wat zich aan woorden onttrekt: de stilte van de schemering en het ‘blauwe uur’, de ruimte van wat we ‘verte’ noemen, de duisternis van een verleden zonder elektriciteit, van twijfellicht, Waddenzee en nachtelijke wandelingen. Natuur wordt cultuur, wordt geschiedenis, doordat Freriks opzoekt wat niet langer vanzelfsprekend is: leegte en traagheid. Hij verbindt zijn persoonlijke ervaring met die van natuur- en stiltezoekers als Descartes, Rousseau, Nescio en uiteenlopende schilders en dichters. Zijn boek is volstrekt onmodieus, hij toont de zwijgende wereld achter onze drukke, opiniërende, veelstemmige dagen en brengt daarmee iets in kaart dat de waan van het moment niet alleen overstijgt maar bijna corrigeert.
 
     2.     ‘De ernst waarmee ze hun tocht aanvaarden en afleggen, als was het een woestijnexpeditie’
 
Eigenlijk gaan alle stukken in de bundel Plaatsvervangers van Thomas Heerma van Voss over toewijding. In zes essays die verband houden met zijn muzikale helden daalt hij af in een wereld van engagement, roem en ontsnapping aan armoede die sterk contrasteert met zijn eigen veilige Amsterdamse biotoop en daar toch aan blijkt te raken. Aan de hand van stukken over onder andere Skunk Anansi, Tim Dog, the Gorillaz, Master P en zijn eigen label Hiphopleeft schrijft hij over verlangen naar zelfvergroting met alle duistere randen van dien, dromen tegen de klippen op en het vermogen het beschaamde, onzekere zelf te ontstijgen, zoals in het indrukwekkende essay over de Golden Boy. Zijn essays gaan over angst en durf, juist omdat ze beginnen vanuit het lef onzeker te zijn en te zoeken, waarna scherm na scherm wordt opgetrokken.

     3.     ‘Men maakt mij niet wijs dat het leven niet iets raars is. Die gekke lijven, met dat been erin.’
 
De echte essayist weet: over ieder onderwerp valt te schrijven. Postma’s bundel Vroege werken begint wat dat betreft briljant, met de zin: ‘Ik ben Jan Postma, u bent dat niet’, om vervolgens een heel andere Postma te portretteren. Postma is een meester in het zich toeëigenen van toevalligheden en laat, in essays over Heleen van Royen, Brodsky, kermis in Westkapelle en roodharigen, zien dat er weinig is dat geen verwondering oproept. In zijn scherpzinnige beschouwingen over Rebecca Solnit of Zadie Smith toont hij bovendien hoe essayisten essayisten baren. Hij is de schrijvende lezer die afwisselend zoekt naar ernst en ironie, naar schoonheid en wreedheid, reflectie en deelname. Postma is een fijngevoelige speurneus en een piekeraar, de wandelaar die zich afvraagt waarom mensen hardlopen, in iedere stap een essayist.
 
     4.     ‘In elke vraag zit wel iets verstandigs. En wat er onverstandig aan is moet men dan maar aanwijzen.’
 

Dat je tegelijkertijd ferm én aarzelend kunt schrijven, het is één van de cadeaus die Marja Pruis aan de essayistiek heeft weten te geven. Een ander cadeau is een zin uit de hier genomineerde bundel, Genoeg nu over mij: de inmiddels veelgeciteerde formulering ‘ik moet je verdienen’. Essayisten schrijven toenemend vanuit een expliciet persoonlijke blik en dat leidt tot nieuwe vragen over hoe je dat kunt doen. Pruis, met haar lenige, meanderende stijl, kan het. Door intimiteit aan te durven en daarin steeds nuance te eisen. Ze vertrekt bij de blik in de spiegel en stapt vandaaruit, met vaart, humor en een door zichzelf gewantrouwde vooringenomenheid de wereld in. Door haar blik te expliciteren maakt ze het persoonlijke instrumenteel, de vragen die ze zichzelf stelt – hoe te lezen en hoe te leven –  worden de vragen van de lezer, verfrissend, en opbeurend.
 
     5.     ‘Ik geloof niet in poly-interpretabiliteit. Ik weet dat iets op verschillende manieren geïnterpreteerd wordt, maar dan is de beste manier tenslotte de beste’.
 
Dit citaat van Jan Hanlo zal Simon(e) van Saarloos niet onderschrijven. Haar hele boek Enz. over het Wildersproces, is gebaseerd op poly-interpretabiliteit. ‘Ik leg geen vinger op de zere plek’, schrijft ze. ‘Zou ik dat wel doen, dan vergeet ik het meervoud waaruit de realiteit bestaat.’ Op geheel persoonlijke wijze en in een kordate, heldere stijl vol uitmiddelpuntige observaties gaat Van Saarloos op onderzoek uit in het proces tegen Wilders. De vraag in hoeverre rechtspraak een middel kan zijn in de strijd tegen discriminatie is haar uitgangspunt, maar ze bevraagt ook zichzelf, haar waarneming en haar intenties. Haar inzet is compromisloos: alles, met inbegrip van haar eigen knorrende maag en alle personages in de zittingen, krijgt aandacht. Ze verzet zich tegen de rode draad en vindt een nieuwe vorm van opiniërend schrijven uit. Origineel, grondig, en een krachtig bewijs voor de stelling dat iedere tijd haar eigen essayisten kweekt.
 
     6.      ‘Een van de grapjes die ik vroeger met de motor wel uithaalde was “bij mezelf achterop zitten”. (…) De grootste kunst was het gezicht in de plooi te houden. Omdat mij dat niet gemakkelijk valt heb ik nooit een leukerd kunnen worden.’
 
Het is een kunst die Carolina Trujillo in Meisjes in blessuretijd juist beheerst als geen ander: ze is meester over de effecten die ze beoogt. Er valt daarom veel te lachen in haar boek, dat zowel van vrolijke als zeer onvrolijke onderwerpen schitterende essays weet te maken. Met ongeëvenaarde vertelkracht gaat Trujillo haar eigen geschiedenis te lijf, cirkelend rond verhalen die met voetbal te maken hebben maar die eigenlijk gaan over de grote vraag hoe ergens thuis te geraken, hoe je teweer te stellen tegen eenzaamheid. Als asielzoeker uit Uruguay, als schrijver, als mens in een wereld die liever in illusies dan in de rauwe waarheid gelooft. Met al haar koppigheid, humor en directheid laat ze zien dat de werkelijkheid, dat grillige, veelkoppige monster, altijd nieuwe, persoonlijke verhalen nodig heeft om zichtbaar te worden. Ze neemt grote stappen en krabt kleine wondjes open, ze toont verraderlijk lijden aan de hand van subtiele triomftochten en doet dat met stilistische brille.
 
            Haar essay over meisjes en voetbal is een geniaal stuk waarin aan de hand van een persoonlijk avontuur, compleet met held en tegenstanders, de machteloosheid maar ook de moed van de ontwortelde wordt getoond. Maar dan zónder grote woorden. Een boek dat de jury overrompelde als een plotseling doelpunt dat je niet aan zag komen en dat daarna, bij herlezing, alleen maar sterker bleek. Carolina Trujillo is de winnaar van de Jan Hanlo Essayprijs 2019.
 

Amsterdam, 16 mei 2019
Mirjam van Hengel | juryvoorzitter
 
 



Download hier PDF


JURYRAPPORT JAN HANLO ESSAYPRIJS KLEIN 2019

 

‘Ieder is zijn eigen broer’ schreef Jan Hanlo in een tekst die even lang is als zijn titel. Het werd de regel die dit jaar als uitgangspunt diende voor de Jan Hanlo Essayprijs Klein, de prijs voor het beste nog ongepubliceerde essay. Achtendertig essays kwamen er binnen. En tot blijdschap van de jury: vrijwel geen slechte. Het niveau was hoog en het thema bleek aanleiding te zijn voor scherpgekozen uitgangspunten, die varieerden van persoonlijke verhalen over een broer of een zus tot abstracte essays over spiegelingen in de kunst of broederschap in sociale zin. We nomineerden uiteindelijk drie essays, met ieder een heel eigen karakter.

 

Tom Springveld, ‘De ongewone zoon’

Een innemend, beeldend geschreven essay over die ene broer die anders is dan de anderen. Die als kind alle zuurstof uit het ouderlijk huis zuigt en als volwassene zandkastelen bouwt in zijn hoofd. De broer die iedereen corrigeert (‘groter dán’) en daarmee ergert, maar die als volwassene zelf degene is die zich ergert: aan iedereen met een minder rijke individualiteit maar soepeler sociale vermogens dan hijzelf. Met empathie en scherpte tekent Tom Springveld een portret van zijn autistische broer, de broer die zichzelf een ‘relatief licht, goed gesocialiseerd exemplaar’ noemt en die misschien wel alleen gekend wordt door intimi, de familieleden die beurtelings de rol van broer op zich nemen.

 

Bauke Vermaas, ‘Met andere ogen’  

Kijken en bekeken worden, daar gaat het essay  van Bauke Vermaas over. Een vrouw loopt door het museum, bekijkt Chadwick en Giacometti maar voelt zich bekeken door haar moeder die mee is. Ondertussen wordt ze gadegeslagen door – ja, door wie? De suppoost die het geluid van haar hakken hoort en haar nakijkt? Het essay wisselt fragmenten waarin de vrouw zich bekeken weet af met herinneringen aan haar jeugd, waarin ze zoekt naar momenten om onbespied alleen te zijn. Geen God, Sinterklaas of Big Brother die haar ziet. Virtuoos leidt Vermaas ons naar de misschien ontluisterende conclusie dat er altijd ogen zijn. Van jezelf, of van de ander die je je toeëigent. Zo is iedereen zijn eigen bespieder, zijn eigen Big Brother.

 

Hannah de Vries, ‘Robotliefde’

Het begint meteen verontrustend: de manier waarop Hannah de Vries het kunstwerk van de zusjes L. A. Raeven beschrijft: hun kunstmatige derde zusje, uiterlijk zó gelijkend op de tweeling die ze zelf zijn dat mocht een van hen wegvallen deze derde, de robotversie van henzelf, de plaats kan innemen. Waar gaat dit kunstwerk over? Over kunstmatig broeder- of zusterschap? Of om het menselijk verlangen zich te hechten aan een geprojecteerde broer of zus, zoals kinderen zich hechten aan poppen, alles spiegelend dat ze zelf het liefst zijn? Zoals sommigen zich hechten aan een seksrobot, die ieder verlangen inlost of Tom Hanks in de film Cast Away zich hecht aan zijn volleybal? ‘Robotliefde’ van Hannah de Vries gaat over liefde en projectie, over het menselijk verlangen naar een evenknie, een broer-door-dik-en-dun’.

 

De Jan Hanlo Essayprijs Klein 2019 gaat naar het essay dat de jury raakte door zijn oprechtheid en de doordringende stijl, het essay waarin de broer soms de broer zelf zou willen zijn, ware het niet dat hij dat al is: Tom Springveld met ‘De ongewone zoon’.

 

Amsterdam, 16 mei 2019

Mirjam van Hengel | juryvoorzitter