Juryrapport 2011

Wat maakt een essay geslaagd? Zoals wel vaker het geval is, is het eenvoudiger om deze vraag in een negatieve vorm te benaderen. Wat is een geslaagd essay dus vooral niet?  Het is geen wetenschappelijke studie; geen pure geschiedschrijving en geen reisverslag. Het is geen journalistiek; geen reis rond het eigen ego; en geen eendagsvlieg. Ook is een goed essay geen verzameling losse, persoonlijke gedachten, niet louter mijmering starend over de horizon, geen nostalgisch terugverlangen.

 

Hiervan uitgaand kon de jury van de Jan Hanlo Essayprijs 2011 al een groot aantal van de maar liefst 120 inzendingen af laten vallen. Maar er bleven er nog veel over, met zeer uiteenlopende de onderwerpen, verschillende de benaderingen en uitbundig divers van toon. Zouden wij een poging moeten doen de trends in de essayistische boeken van de afgelopen twee jaar te vatten, dan gooien geschiedenis, reizen en de menselijke geest hoge ogen. Enerzijds is de aandacht vooral naar buiten gericht, op het doorgronden van andere culturen en tijdperken die anders zijn dan het onze. Anderzijds geeft de Nederlandse essayist zich met graagte over aan de reflectie over het hoe en waarom van het moderne individu, zijn drijfveren en zijn frustraties.

 

Al lezend en pratend kwam de jury tot een aantal distinctieve kenmerken die sturend bleken voor onze gedachtegang, voorkeuren en voor onze uiteindelijke keuze. Het essay moest liefst een vakgebied overstijgen. Essayisten die de grenzen van hun eigen vakgebied overstijgen werpen een bredere blik op culturele, maatschappelijke of cultuurhistorische onderwerpen. Zij slagen erin de lezer mee te nemen op de paden van hun eigen discipline, terwijl ze tegelijkertijd andere deuren openen, kijkjes nemen in andere, al of niet verwante vakgebieden om zo een nieuwe, originele en veelomvattende verkenning te bieden. Daarbij waardeerde de jury het vooral als de auteur ging voor  'de grote greep', dat wil zeggen een poging deed een overkoepelende visie te formuleren en uit te stijgen boven de verzameling van feiten of losse gedachten.

 

Stijl is - hoe kan het anders - ook een belangrijk punt. De een heeft een betere pen dan de ander, de een zit meer in een wetenschappelijk betoog, een ander geeft zijn denken een filosofische toon mee. Weer een ander kruipt tegen het genre van de roman aan. Het beste resultaat behaalden die auteurs die in hun stijl dichtbij het karakter van hun onderwerp bleven, waar beide elementen een organisch geheel vormden.

Een ander element dat bij de jury aan sommige essays extra spankracht gaf was de manier waarop de auteur zichzelf opvoerde. Niet als ego of  leidend personage, maar juist als onderzoekend, nieuwsgierig karakter met een eigen stem. In hoeverre laat de auteur zijn of haar persoonlijke worsteling zien? Is die waardevol voor de lezer? Wat voegt die toe? Wordt de lezer daardoor geraakt, aangezet tot verder denken? De wisselwerking tussen beiden, tussen de auteur en de lezer, waarbij de lezer uitgedaagd wordt tot een actieve, participerende rol, vond de jury een wezenlijk element in haar beoordeling van de inzendingen.

 

Deze actieve houding, tot slot, is van belang bij het laatste element dat de jury wil noemen als het gaat om het onderbouwen van haar keuze. Een prikkelende beschouwing leg je na lezing niet voorgoed terzijde; je blijft er in gedachten mee bezig, je grijpt erop terug. Wij hebben gekozen voor boeken, waar je ook na enige tijd 'naar terug kunt', essays die bij herlezing als het ware 'opnieuw kunnen open gaan' - dankzij hun originaliteit, dankzij hun rijkdom aan thema's, dankzij hun vernieuwende kijk op hun onderwerp, dankzij hun stijl, hun elegantie of hun complexiteit.

Zoals gebruikelijk kreeg de jury de inzendingen voor de Jan Hanloprijs Klein zonder dat daarbij de naam van de auteur was vermeld. Het ging dit jaar om maar liefst 53 inzendingen. Zij mochten maximaal 2500 woorden tellen en moesten geschreven zijn naar aanleiding van een thema dat ook dit jaar was ontleend aan een citaat uit het werk van Jan Hanlo: 'De mensen van vandaag zijn nu eenmaal vooral op het 'zien' ingesteld. Ik wil de wereld alleen maar een goede raad geven: vergeet de andere zintuigen niet. Afgesproken?! O.K.'

 

Een groot aantal inzenders boog zich over het genre van het betoog al dan niet met gebruikmaking van woordenboeken en voorgangers in het genre. Het leverde overwegend beschrijvende stukken op, waarbij vaak een verrassende of persoonlijke invalshoek ontbrak. Gedegenheid bleek bon ton, hemelbestormers bevonden zich niet onder de inzenders van 2011.  Drie inzendingen wisten de schoolse vraag 'hoe schrijf je een essay' terzijde te laten en een eigen stem te laten horen. In het geval van Maria Fourier, die  - we hanteren een alfabetische volgorde - de auteur bleek te zijn van de tekst getiteld 'Anders kijken', gaat het om een bijzondere zintuiglijke verhouding tot de buitenwereld. Hoewel Fourier in de strikte zin des woords eerder een kort verhaal schreef dan een essay, vond de jury haar persoonlijke toon en de verwerking van het thema dermate aansprekend en origineel dat wij haar inzending toch hebben genomineerd.

Het tweede essay dat de jury bekoorde heet 'Brein' en bleek geschreven door Mirjam Hommes. Het stuk gaat over de relatie van de verteller - ogenschijnlijk een gepensioneerde man van boven de 70 - met zijn brein, dat door de auteur als een dierbare en wezenlijke metgezel wordt beschouwd. Op een geestige, ironische en originele manier belicht de essayist het veranderende brein en de ouder wordende mens. Op kritische wijze beschouwt zij bovendien de manier waarop deze in onze samenleving wordt bejegend.

Anouk van Kampen tenslotte betrekt in 'Smaakvolle televisie' de modernste technologie bij haar betoog voor het optimaal genieten met al onze zintuigen en reist daarbij door films, televisie, facebook en literatuur. Zij ironiseert de gekte van onze tijd en de huidige obsessie overal alles meteen te weten, op te slaan en weer te verspreiden.

 

De jury kent de Jan Hanloprijs Klein toe aan het essay dat een goede stijl combineert met een actueel onderwerp dat bovendien op een originele wijze wordt gepresenteerd. De tekst verbaast en overtuigt,  illustreert en toont nieuwsgierigheid. De Jan Hanloprijs Klein, bestaande uit € 1500 en de bijbehorende onderscheiding gaat naar Mirjam Hommes voor haar essay 'Brein'.

 

Wat de drie genomineerden voor de Jan Hanloprijs Groot gemeen hebben is hun eigenzinnigheid. Het zijn drie essayisten die ieder hun eigen agenda volgen, die hun eigen toon hebben en die uiteindelijk indirect ook hun eigen portret hebben geschreven. We laten ze, in alfabetische volgorde, de revue passeren.

 

De essays van Frank Martinus Arion, getiteld Intimiteiten van het schrijven, hebben een volstrekt eigen invalshoek. Als er iets is wat de auteur van deze beschouwingen kenmerkt, is het de nieuwsgierigheid en de drang om datgene uit te zoeken wat nog nooit iemand voor hem heeft uitgezocht en onder woorden heeft gebracht. 'Een essay', schrijft Arion, 'is een poging een leegte waarmee een schrijver rondloopt, op te vullen'. Die leegtes zijn van taalkundige, grammaticale of literaire aard. Ze gaan over Multatuli's 'Pak van Sjaalman', over het tragische levensgevoel van Cola Debrot of over de Nederlandse interpretatie van Creoolse kinderliedjes. Steeds verduidelijkt  Arion zijn vragen, steeds illustreert hij de antwoorden die hij vindt met sprekende citaten. Ofschoon het gaat om soms overbekende teksten en frasen is de manier waarop Arion zijn onderwerpen behandelt vaak onverwachts, zijn benadering is speels en toch gedegen zonder droog wetenschappelijk te worden. Zelden is de lezer in staat in één keer de gedachtegang van schrijver te volgen in al zijn betekenissen en implicaties. Arions aanstekelijke enthousiasme voor de literatuur die hij bewondert en bestudeert, in combinatie met zijn volstrekt eigen en vaak licht ironische stijl, maken Intimiteiten van het schrijven tot een van de boeiendste literaire essays van de afgelopen twee jaar.

 

 

 

 

 

Ook bij Stil de tijd van Joke J. Hermsen gaat het om een bundel essays. Haar beschouwingen draaien stuk voor stuk om het fenomeen 'de tijd'. Enerzijds behandelt zij in haar Pleidooi voor een langzame tijd het heden, de kern vattend van ons aller worsteling met het drukke dagelijks bestaan. Anderzijds schetst zij een filosofisch beeld van het begrip 'tijd' aan de hand van filosofen en andere denkers door de eeuwen heen.Zij doet dat gedegen en filosofisch onderbouwd, maar weet daarbij een luchtige en toegankelijke stijl te hanteren. Zij schroomt niet zichzelf als zoekend personage op te voeren, waardoor de lezer op een persoonlijke manier in de thematiek wordt gezogen. Haar belezenheid koppelt zij aan het expliciet verwoorden van het schrijfproces, waardoor de lezer dichtbij komt. Hoewel de essays in eerste instantie voor diverse gelegenheden zijn geschreven, is de auteur erin geslaagd haar beschouwingen over filosofie, schrijverschap en beeldende kunst feilloos te verbinden tot een organisch geheel. Daarbij heeft zij oog voor detail zonder allegorisch te worden. Het maakt Stil de tijd actueel, sprankelend en diepgaand tegelijk.

 

In De duivelskunstenaar tenslotte, volgt Pieter Steinz Doctor Faustus door 500 jaar cultuurgeschiedenis. Uitgangspunt is zijn persoonlijke fascinatie voor deze historisch-literaire figuur, een diepgaande en aanstekelijke  nieuwsgierigheid die de auteur niet alleen tot aan het einde van het boek vast weet te houden, maar die hem en de lezer ook veel brengen. Zijn fascinatie heeft bij Steinz de vorm aangenomen van een klassieke zoektocht 'in de sporen van', waarbij de journalist die hij is de lezer moeiteloos meeneemt. Dat de auteur het journalistieke verre weet te overstijgen, ligt aan zijn vlotte pen en de gedegen historische benadering van zijn onderwerp. Aan zijn reportages is grondig onderzoek voorafgegaan, dat op professionele wijze in zijn verhaal is geïntegreerd. Daardoor slaagt hij erin een indrukwekkend literair en Europees panorama rond één figuur tot stand te brengen. Ook bij Steinz geldt: nergens wordt het boek puur historisch, nergens wordt het 'een boek over Faust', steeds weet de auteur te enthousiasmeren, te informeren en tot leven te wekken.

 

Zie hier de drie nominaties voor de Jan Hanlo-essayprijs 2011. Drie boeken die inspireren, enthousiasmeren en tot nadenken aanzetten. Drie gedreven auteurs die gepassioneerd en met diepgang een onderwerp tot leven brengen. Drie maal een eigenzinnige invalshoek, drie maal een eigen toon.  Drie maal boeken die je na het lezen niet 'uit' hebt.

 

Toch heeft de jury een keuze moeten maken voor één winnaar die naar huis gaat met het grootste eerbetoon, de trofee en het geldbedrag van € 7000. De winnaar van de Jan Hanlo essayprijs 2011 gaat naar Joke J. Hermsen, voor haar essay Stil de tijd.


De jury

Sigrid Bousset

Margot Dijkgraaf (voorzitter)

Frans-Willem Korsten

Marja Pruis

 

Amsterdam, 17 mei 2011

 

 

De jury van de Jan Hanlo Media-essayprijs heeft niet één maar 42 moeilijke beslissingen moeten nemen. Aan de oproep om een stripessay te maken, hebben liefst 42 tekenaars gehoor gegeven en een idee ingestuurd. Onder hen jong talent en jonge veteranen. In de uitnodiging voor de wedstrijd werd de deelnemers gevraagd een schets en synopsis te sturen van het stripessay. Hierbij viel meteen al op hoe gevarieerd en hoe goed de inzendingen waren. Van de 42 konden helaas slechts tien verder naar de volgende ronde. De tien finalisten hadden in de ogen van de jury de interessantste ideeën. De finalisten zijn Margreet de Heer, Gerrie Hondius, Jeroen Funke, Jeroen de Leijer, Tijn Snoodijk, Albo Helm, Milan Hulsing, Sam Peeters, Bas Köhler en het duo Wouter Gresnigt en Kasper Peters.

Een striptekenaar, zo blijkt, draait zijn hand niet om voor een essay. Een striptekenaar heeft zelfs geen tekst nodig om een klinkend betoog op te zetten. Gerrie Hondius en Sam Peeters leveren een volstrekt helder essay af zonder een letter te gebruiken. Heel handig laveren ze langs alle clichés in hun bijdrages die beide over liefde gaan. Albo Helm, Bas Köhler en Milan Hulsing verwijzen in hun essays nadrukkelijk naar de actualiteit. Hulsing die woont en werkt in Caïro verwerkte de opstand op het Tahrirplein in de Egyptische hoofdstad in zijn essay; Helm eindigt in Guantanamo Bay en Köhler toont zich meer in het algemeen bezorgd over hoe de mens, of beter gezegd de consument, bedot wordt. Tijn Snoodijk gebruikt zijn personage Umberto om zijn verhaal te vertellen, Margreet de Heer zichzelf en Jeroen de Leijer laat Eefje Wentelteefje opdraven. Ze interviewt Jerôme de l’Hayre, grèffiknoffelmaker. Dat levert een interessant gesprek op, maar heeft helaas weinig met zintuigen van doen. Het duo Wouter Gresnigt en Kasper Peters rekken de grenzen van het medium strip nog ietsje verder op met hun beeldgedicht – weer een nieuwe term voor strip. Maar hoe je het noemt, graphic novel of grèffik noffel, beeldgedicht of gewoon stripverhaal, alle inzendingen voldoen aan de definities van het medium. En alle inzendingen laten zien hoe rijk de stripcultuur ook in Nederland is. Bij de jury bestond eensgezindheid over het niveau van de ingeleverde essays: ze zijn alle tien uitzonderlijk.

Maar er kan maar een winnaar zijn en daarover is jury ook unaniem. De winnaar is Jeroen Funke. Hij laat zien dat in een goede strip beeld en tekst heel ver uit elkaar kunnen lopen, maar elkaar ook aanvullen. De conversatie die Victor en Vishnu voeren over de zintuigen heeft plaats in de huiskamer. Dat lijkt misschien wat saai, maar is het niet. Op elk plaatje valt wat te beleven. Soms illustreert de tekening wat in de teksballoons staat; soms vertelt de tekening een extra verhaal – zoals die van de verdrietige leverworst. Die gelaagdheid verraadt het ware meesterschap en toont de beheersing van het stripambacht. Jeroen Funke is een stripkunstenaar die zich solo, maar ook met zijn drie collega’s van het collectief Lamelos onvermoeibaar inzet om de strip bij een zo groot mogelijk publiek te brengen. Op hippe popconcerten en suffe stripfestivals, Funke wil overal aan meedoen. Dat leidt hem soms wel wat af van strips maken, maar heeft hem gelukkig niet in de weg gezeten bij het voltooien van zijn stripessay.

‘Spruitjes, bier, leverworst’, zoals Funke zijn essay heeft genoemd, is helder, simpel en doeltreffend. Op een slimme manier manoeuvreert hij zichzelf in een commentaarpositie en op een speelse manier, zoals ooit ook de kunstenaars van de COBRA-beweging kunst tegemoettraden, gaat hij op zoek naar welke zintuigen we kwijtraken als we ouder worden en opgroeien. Het is daarmee ook precies wat een goed essay hoort te zijn: een betoog dat nieuwe inzichten biedt. De jury is van mening dat het stripessay inderdaad een aanvulling is op de bestaande essayvormen met Jeroen Funke als een waardige winnaar en toonzetter.

 

De jury:

Margot Dijkgraaf, literair criticus en directeur van academisch cultuurcentrum SPUI25

Gijs Assman, schilder en beeldhouwer en mentor aan Design Academy Eindhoven

Peter ter Mors, tekenaar en art director bij het weekblad Elsevier

Gert Jan Pos, intendant strips bij het Fonds voor beeldende kunsten vormgeving en bouwkunst

 

Amsterdam, 17 mei 2011