Juryrapport 2009

Waar moet een essay over gaan? Op het eerste gezicht is dat een merkwaardige vraag, want een van de aantrekkelijkheden van dit genre is nu juist dat er niets moet, maar dat in principe alles mag. Die vrijheid van inhoud en vorm is sinds eeuwen misschien wel de grootste aantrekkelijkheid en ook de grootste verworvenheid van het essay. De wens om openhartig en zonder beperkingen over godsdienst, over politiek of over culturele, wetenschappelijke of persoonlijke onderwerpen te reflecteren was aan het eind van de zestiende eeuw net zo legitiem als aan het begin van de eenentwintigste. Maar de keerzijde van die zo vurig begeerde en – althans in West-Europa ook daadwerkelijk veroverde – vrijheid is dat de vraag ‘Waar moet een essay over gaan?’ onverminderd actueel blijft, niet als inbreuk op de artistieke vrijheid van de essayist, maar als een moreel dilemma dat inherent is aan die artistieke vrijheid.

 

Voor de jury van de Jan Hanlo Essayprijs 2009 is het ondoenlijk om op basis van de productie aan essayistische boeken uit de afgelopen twee jaren verstrekkende uitspraken te doen over de richting waarin dit genre binnen de Nederlandse literatuur zich aan het ontwikkelen is. Maar wat aan de 98 voor de Jan Hanlo Essayprijs Groot ingezonden boeken om te beginnen opvalt is het grote aantal inzendingen, ruim 40 procent meer dan de vorige maal dat deze tweejaarlijkse prijs werd vergeven. En niet alleen het aantal inzendingen is toegenomen, ook de thematische rijkdom is groter dan tevoren, al is duidelijk dat in de afgelopen jaren het thema ‘God’ zich onder essayisten in een, tien of twintig jaar geleden nog onvoorstelbare, populariteit mag verheugen. Maar afgezien van die concentratie lijkt het alsof de uitersten binnen het genre van het essay in Nederland en Vlaanderen steeds verder uiteen komen te liggen.

 

De klassiek en kennelijk vooral geesteswetenschappelijk geschoolde essayisten die, in navolging van Montaigne, zich in hun intellectuele toren terugtrekken, houden zich nog meer dan voorheen met kunst- en geschiedfilosofische, bijna meta-achtige bespiegelingen bezig. Die benadering resulteerde ook deze keer in indrukwekkende publicaties, die beslist dienstbaar zijn aan belangrijke vraagstukken, maar waarin deze jury dikwijls vooral de persoonlijke visie miste. Een engagement met een onderwerp moge in het licht van de onbeperkte essayistische vrijheid een voldoende rechtvaardiging voor een boek vormen, de jury was meer onder de druk naarmate een auteur zijn of haar individuele inzet op de wereld verhoogde.

 

Aan de andere kant van het spectrum zijn er de essayisten die de deur van hun werkkamer – op zijn minst tijdelijk – achter zich dichtgooien en de wereld tegemoet treden. Dat leverde deze keer vele actuele pamfletten op, reportageboeken over landen en godsdiensten, en geschiedkundige of literatuurwetenschappelijke studies. Dat waren in veel gevallen interessante publicaties, maar lang niet altijd essayistisch van aard, eerder – respectievelijk – uitvoerige opiniestukken, informatieve reisverslagen en bundels artikelen of columns over uiteenlopende onderwerpen.

 

De jury verlangde van de beste essayistische boeken om te beginnen dat het echte essays waren, dat wil zeggen een combinatie van nieuwsgierigheid en reflectie, van denkkracht en daadkracht. Het essay is voor de jury bij uitstek het genre waarbij het werkvertrek van de auteur een wereld op zich is, maar waarin ook de buitenwereld van nu of gisteren actief als werkterrein wordt opgezocht. Voorts bleek gaandeweg dat de jury de voorkeur gaf aan echte boeken, boeken uit één stuk, boeken met een centraal idee, met een unieke samenhang die alleen door deze auteur op die manier kon worden aangebracht. Pas dan kwam de jury toe aan het uitspreken van een voorkeur voor de beste stilist, de beste schrijver, kortom de beste essayist van de afgelopen twee jaar.

 

Bij de keuze voor de Jan Hanloprijs Klein wordt het de jury vanouds zowel gemakkelijker als moeilijker gemaakt door het gegeven dat de inzendingen anoniem worden beoordeeld en dat zij alle geschreven zijn op een opgegeven thema en maximaal 2500 woorden mogen tellen. Ditmaal was dat thema ‘O Nederlandse taal’, een citaat uit een gedicht van Jan Hanlo. Dat leverde een aantal van 39 inzendingen op. Daaronder bevond zich een niet gering aantal cultuurpessimisten en sombere schoolmeesters, die met meer of minder voorspelbare klaagzangen over de verloedering of zelfs de teloorgang van het Nederlands te weinig indruk maakten. Meer gecharmeerd was de jury van inzenders die met een scheutje humor, een vleugje absurditeit of een dosis originaliteit hun beschouwing over het opgegeven onderwerp vleugels wisten te geven.

 

Het essay ‘Waarom het Nederlands de lingua franca van de Europese Unie moet worden’, dat geschreven bleek door Tiny Rutten, bepleit op een geestige, bijna cabareteske wijze een onmogelijke gedachte, die door de stug volgehouden argumentatieve kracht zonder meer een nominatie verdiende. Wie dit essay gelezen heeft, voelt zich meer dan ooit gemobiliseerd om op te komen voor de betekenis en de bruikbaarheid van ons eigen Nederlands.

 

Onder de titel ‘Klink!’ zond Coco Schrijber een essay in, eveneens door de jury genomineerd voor de Jan Hanlo essayprijs Klein, dat de klankrijkdom van de Nederlandse taal aantoont door die op alle denkbare manieren aan de lezer te laten zien, horen, proeven, voelen en ruiken. De lof van het Nederlands wordt hier zo uitbundig en in alle denkbare toonaarden bezongen dat de jury zich moeiteloos gewonnen gaf aan deze synesthetische hoogstandjes.

 

Als derde werd een nominatie toegekend aan het essay ‘Suum cuique’, dat van de hand bleek van Arjen van Veelen (die ook in 2007 tot de genomineerden voor deze prijs behoorde). Niet alleen is de invalshoek van deze inzending uiterst origineel, namelijk de rol die het Latijn speelt in de eigentijdse tattoo-cultuur, Van Veelen schrijft bovendien op een verfrissend onbevangen manier over de invloed van internet, e-mail en sms op het hedendaagse taalgebruik. Zonder dergelijke vernieuwingen, zoals zo vaak gebeurt, als fout, dom en ongrammaticaal weg te zetten, weet hij de lezer juist mee te nemen in zijn enthousiasme . voor de verrijkingen die de internetcultuur in het Nederlands teweeg kan brengen.

Alle drie deze inzendingen verdienen hun nominatie ten volle, maar het winnende essay, dat de Jan Hanlo Essayprijs Klein naar de mening van de jury het meest verdient, combineerde stilistische kwaliteit met de hoogste originaliteit en wist daarbij ook nog een stelling waar te maken die voor de Nederlandse taal van levensbelang is. Dat essay moet naar het oordeel van de jury de geldprijs van € 1.500,- euro krijgen en de bijbehorende onderscheiding. De winnaar is Arjen van Veelen voor zijn essay ‘Suum cuique’.

 

De drie nominaties voor de Jan Hanlo Essayprijs Groot 2009 vormen op het eerste gezicht geen logische keuze. In alfabetische volgorde op achternaam van de auteur gaat het als eerste om een bundel columns, terwijl de jury hierboven juist zijn voorkeur heeft toegelicht voor boeken-uit-één-stuk. Het tweede boek is een pamflet van nog geen 80 pagina’s en het derde is op een onaantrekkelijk oblong-formaat uitgegeven, zodat de lezer enige weerstand moet overwinnen om zich erin te gaan verdiepen. Toch lijdt het voor de jury geen twijfel dat het bij deze drie boeken, in het licht van de hierboven vermelde overwegingen, om het beste gaat dat de Nederlandstalige essayistiek de afgelopen twee jaar heeft voortgebracht.

 

De bundel Snobisme voor beginners van Oscar van den Boogaard is een etalage vol schitterend bewerkte miniaturen, die elk voor zich, maar zeker in hun onderlinge verband, een persoonlijk en zeer eigentijds wereldbeeld bieden, waarin het verband tussen commercie en cultuur, tussen lifestyle en levenskunst sprankelend wordt verbeeld. Achter de speelse en frivole verkenningen van het winkelen gaat een dwangmatige lust schuil tot kijken en kopen die de lezer gaandeweg volledig in zijn greep krijgt. Zelfs de lezer die nooit van shoppen heeft gehouden, en die ten opzichte van de auteur aan het begin van dit boek dus zeker een ‘beginneling’ is, kan na lezing van deze unieke catalogus van moderne obsessies nooit meer met afgewend hoofd door een luxe winkelstraat wandelen. Dat effect verkrijgt Van den Boogaard vooral door zijn verleidelijke stijl, zijn oog voor het onvergetelijke detail en door het vermogen zijn geheime verslavingen op de lezer over te brengen.

 

David van Reybrouck steekt met zijn pamflet Pleidooi voor populisme niet alleen uit boven de andere pamfletten die in de afgelopen jaren zijn verschenen, maar ook boven de omvangrijkere essayistische boeken die werden ingezonden. Dat heeft om te beginnen te maken met de keuze voor het uitgesproken belangwekkende onderwerp dat hij aansnijdt: de schijnbaar onoverbrugbare kloof die in Vlaanderen en Nederland is ontstaan tussen aan de ene kant de even hooggeschoolde als zelfgenoegzame klasse van politieke bestuurders en aan de andere kant het in meerderheid laaggeschoolde en ontevreden electoraat dat zijn heil zoekt in vaak duistere populistische leiders. Maar vooral imponeert Van Reybrouck door de compacte, heldere en goed beargumenteerde stijl waarmee hij pleit voor niet minder, maar voor beter populisme. Zijn onderwerp is actueel, maatschappelijk relevant en tegelijk van alle tijden, zoals ook zijn vergelijking met de opkomst van het socialisme aan het eind van de negentiende eeuw illustreert. De benadering van Van Reybrouck houdt perfect het midden tussen een politieke verhandeling en een letterkundig essay, waarbij de kwaliteiten van beide genres worden gecombineerd.

 

Als derde boek nomineerde de jury het boek Dit is geen dakloze van Wytske Versteeg. Voor haar boek sprak zij met daklozen, luisterde naar hun verhalen, liep mee met hulpverleners en deed vrijwilligerswerk. Maar het resultaat overstijgt verre het niveau van de journalistieke reportage of het verslag van persoonlijke wederwaardigheden, omdat zij dakloosheid beziet in het licht van fundamentele kwesties als schuld en boete, persoonlijke en maatschappelijke verantwoordelijkheid, rechten en plichten, egoïsme en altruïsme en dubieus medelijden. In een vloeiende, onnadrukkelijke stijl vlecht Wytske Versteeg inzichten uit de literatuur, de sociale wetenschappen en de filosofie samen met haar eigen observaties tot een levendig geschreven en fundamenteel essay. Erbij horen of niet erbij horen, dat is de vraag waar het leven om draait. In haar boek weet Wytske Versteeg deze kern hard te raken.

Met deze drie genomineerde titels voor de Jan Hanlo Essayprijs Groot heeft de jury het zichzelf niet gemakkelijk gemaakt. Wie van deze drie moet met de eer, de bijzondere trofee en het bij de prijs behorende geldbedrag van € 7.000,- naar huis gaan? Alle drie hebben deze boeken daarvoor de kwaliteiten in huis. Dat geldt voor Oscar van den Boogaard met zijn flonkerende bekentenissen van kooplust als vormgeving van het moderne bestaan. Dat geldt voor David van Reybrouck, die met chirurgische precisie en stilistisch vermogen de grote zere plek van onze huidige democratie heeft ontleed. En het geldt voor Wytske Versteeg, met haar sociaal geëngageerde, maar tegelijk soeverein geschreven essay over de dakloosheid als menselijke conditie.

 

Als winnaar heeft de jury die auteur gekozen die de grootste durf en tegelijk de grootste zelfbeheersing aan de dag heeft gelegd, die zowel heeft gekozen voor een onderwerp dat groter is dan de mens zelf, maar die bij het schrijven de menselijke maat toch steeds in het oog heeft weten te houden. Een auteur die geen woord te veel gebruikt om toch een grootse visie neer te leggen. De Jan Hanlo Essayprijs Groot gaat naar Pleidooi voor populisme van David van Reybrouck.


De jury

Maarten Asscher (voorzitter)
Stine Jensen
Beatrijs Ritsema
Frans Saris

 

Amsterdam, 16 september 2009

 

Er is ook een printversie beschikbaar.