Juryrapport 2005

De modernistische roman is wel eens omschreven als een zak waar van alles ingegooid kan worden. Niet alleen verzinsels en herinneringen, ook dagboekaantekeningen, reisbeschrijvingen, citaten en zelfs keukenrecepten gaan erin. Diezelfde vrijheid en rekbaarheid gelden al veel langer voor het essay. De zestiende-eeuwse burgemeester van Bordeaux, Michel de Montaigne, die als de geestelijk vader van het genre geldt, benutte de onuitputtelijke mogelijkheden van het essay vanaf het allereerste begin ten volle. Hij legde zichzelf geen enkele thematische beperking op en doorspekte zijn werk met een weelde aan citaten van anderen. Als literair genre werd het essay door zijn eerste beoefenaar in één klap volwaardig op de wereld gezet, en dat eeuwen voordat de roman in zicht was.

 

Het essay is sindsdien niet wezenlijk veranderd. Wel zijn er afgeleide vormen uit ontstaan, zoals de boekbespreking of de column. Maar de inzet is steeds dezelfde gebleven: een persoonlijk getinte tekst, aangedreven door nieuwsgierigheid, waarin de auteur tracht iets te beweren over een bepaald onderwerp en tegelijkertijd de lezer verslag doet van zijn lees- en denkwerk. Juist omdat die inzet in de afgelopen vijf eeuwen wezenlijk ongewijzigd is gebleven, kan iedere hedendaagse beoefenaar van het essay nog altijd goed beoordeeld worden naar het door Montaigne gevestigde model.

 

Maar als men essayisten met elkaar laat wedijveren om een geldprijs, dan is het zinvol om hun inspanningen ook onderling enigszins vergelijkbaar te maken. Voor de tweejaarlijkse Jan Hanlo Essay Prijs Klein heeft het bestuur van de Jan Hanlo Stichting aan de inzenders dan ook niet alleen een maximale omvang van 2500 woorden gesteld, maar voor de editie 2005 ook een onderwerp opgegeven: ‘De vrije wil’, een thema dat Jan Hanlo zelf op vele manieren heeft bezig gehouden.

 

De jury voor de Jan Hanlo Prijs 2005, bestaande uit de leden Maarten Asscher, Judith Jansen, Nico Laan en Hans Renders als voorzitter, heeft in totaal 57 ingezonden essays beoordeeld, zonder de namen van de auteurs te kennen. Zoals bij een ijsberg zich onveranderlijk 90% onder water bevindt en 10% boven het wateroppervlak, zo concentreerde de beraadslagingen van de jury zich al spoedig op vijf à zes inzendingen. De overigen waren merendeels encyclopedisch getinte opstellen, waarin historische opsommingen en verwijzingen naar vroegere auteurs de boventoon voerden. Toch kostte het de jury geen moeite om uit de beste er drie te kiezen die hun kandidatuur voor de Jan Hanlo Essayprijs Klein zonder meer waard zijn. Deze bleken – in alfabetische volgorde – geschreven te zijn door V. van den Brink, Alexander von Schmidt en Karel Soudijn.

 

Met zijn inzending ‘Ideaal strafrecht’ heeft V. van den Brink een naar de vorm zeer origineel essay geschreven, waarin hij via de omweg van een necrologie de uiterste consequentie laat zien van de opvatting dat de mens over een vrije wil beschikt.

 

Alexander von Schmidt zond een essay in onder de titel ‘Het denken over goed en kwaad is beter af zonder vrije wil’. Die titel bevat de zelfopgelegde uitdaging voor een helder betoog waarin de auteur aan de hand van twee recente strafprocessen (tegen Murat D. en Volkert van der G.) aantoont dat het denken over de mens in termen van een vrije wil tot vertroebeling leidt van het onderscheid tussen goed en kwaad en dus tot inconsistenties in de strafrechtspraak.

 

Karel Soudijn, ten slotte, schreef een klassiek opgezet essay over de vrije wil onder de titel ‘Erfenis van James’. Zijn tekst is stilistisch mooi verzorgd en weet steeds een goed evenwicht te bewaren tussen inzichten die aan anderen worden ontleend en eigen opvattingen.

 

Naar de overtuiging van de jury moet de Essayprijs Klein, bestaande uit een bedrag van € 1.500,- en publicatie van de tekst in het tijdschrift Tirade, gaan naar diegene van de drie genomineerden die, naast inhoudelijke overtuigingskracht, het essay ook in literair opzicht het meeste recht doet. Unaniem is de jury van mening dat de Jan Hanlo Essayprijs Klein 2005 toekomt aan Karel Soudijn voor zijn essay ‘Erfenis van James’.

 

De eveneens tweejaarlijkse Jan Hanlo Essay Prijs Groot bestaat uit een geldbedrag van € 7.000,-. In zijn eerste editie werd de prijs gewonnen door Joke Hermsen, in de nadien gewijzigde opzet zijn de afgelopen keren achtereenvolgens Tijs Goldschmidt en Douwe Draaisma bekroond. Voor de editie 2005 werden in totaal 71 essaybundels ingezonden, verschenen in 2003 en 2004. Hier bleven, nadat in een viertal opeenvolgende vergaderingen de hele stapel aan een eerste bespreking was onderworpen, negen boeken op de kritische zeef van de jury liggen. Tijdens een laatste, afrondende bijeenkomst bracht de jury deze selectie terug tot drie nominaties. En koos zij uit die drie een winnaar.

 

Overeenkomstig de volgorde van het alfabet dient als eerste genomineerde Piet Gerbrandy te worden genoemd. Zelf omschrijft hij zijn essaybundel Een steeneik op de rotsen bovenal als het boek van een lezer. Daarnaast is hij vertaler en werkt hij aan een Latijns leerboek. Sinds 1996 publiceerde hij bovendien een viertal dichtbundels. In Een steeneik op de rotsen verrast vooral de breedte van zijn horizon, in combinatie met de gedegenheid van zijn kennis, in het bijzonder op het terrein van de Latijnse literatuur en de Nederlandse poëzie van de negentiende en twintigste eeuw. Schijnbaar moeiteloos projecteert hij mechanismen uit de jazzmuziek op de literatuur der klassieken, terwijl hij er ook niet voor terugdeinst om inzichten ontleend aan de poëzie van Remco Campert in te zetten voor een duiding van een klassieke dichter als Pindaros. En daartussen treden dan nog regelmatig zijn favoriete negentiende-eeuwse Nederlandse dichters op, zoals Willem Bilderdijk en Jan Frederik Helmers. In alle gevallen weet Gerbrandy een enthousiasmerende, letterlijk overtuigende toon te handhaven, die nergens betweterig of drammerig wordt, maar die je als lezer het gevoel geeft bij je favoriete leraar in de klas te zitten.

 

De essays die in Een steeneik op de rotsen bijeengebracht zijn, zijn merendeels eerder verschenen in de Volkskrant en de Groene Amsterdammer. Ze zijn in veel gevallen voor deze gelegenheid bewerkt en Gerbrandy heeft van hun verschillende herkomst, toon en lengte gebruik gemaakt om een afwisselende opzet voor zijn bundel te creëren. Zo is die niet louter een verzameling opstellen geworden, maar een op zichzelf staand boek waarin vanuit uiteenlopende cultuurperioden diverse stijlen van schrijven, lezen en spreken aan de orde komen en op elkaar worden betrokken. Het is vooral die literair-culturele rijkdom, naast de engagerende stijl van schrijven, die de jury ertoe gebracht heeft Een steeneik op de rotsen van Piet Gerbrandy te nomineren voor de Jan Hanlo Essay Prijs Groot 2005.

In een door hem als ‘fotosynthese’ betiteld genre beoefent Rudy Kousbroek in zijn bundel Opgespoorde wonderen een type essay dat zijn inspiratie ontleent niet aan de vrije nieuwsgierigheid van de auteur zelf, maar aan de ontdekking van een foto. Soms is die foto door de auteur zelf gemaakt, maar meestal niet. In veel gevallen gaat het om oudere, onbekende foto’s van niet-Nederlandse origine. Ook in zijn Anathema-bundels heeft Kousbroek de fotografie al toegepast als – om het in scheikundige termen te zeggen – ‘agens’ voor zijn essayistiek. Maar niet eerder bracht hij de door hem ontdekte foto’s en de daarop gebaseerde teksten zo, bijna albumgewijs, bijeen als in Opgespoorde wonderen.

 

De combinatie van beelden en woorden pakt in deze bundel fortuinlijk uit. Dat komt niet alleen doordat de bijeengebrachte foto’s in veel gevallen direct iets bijzonders of raadselachtigs hebben, maar ook doordat het reflecteren op foto’s per definitie een retrospectieve aangelegenheid is. Het moment waarop een foto werd gemaakt is a priori onherhaalbaar. Kousbroeks vaak melancholieke talent voor het evoceren van onherroepelijk voorbije mensen, plaatsen en gebeurtenissen wordt perfect gecombineerd met de suggestieve en anekdotische kracht van een oude foto. Dat die melancholie soms dik wordt aangezet – zoals wanneer de auteur afwisselend wordt ‘overspoeld’, ‘bevangen’ of ‘overmand’ – zij de auteur grif vergeven. Zoals Oscar Wilde reeds zei: ‘Waar geen overdrijving is, daar is geen liefde, en waar geen liefde is, daar is ook geen begrip.’

 

Kousbroek zelf zegt ter opening van het essay ‘Ritueel’: ‘Alle foto’s drukken iets onzegbaars uit.’ Dat is zonder twijfel juist en het is onder meer dat wat deze essayistische stijloefeningen zo bijzonder maakt. Steeds als de lezer denkt dat hij bij een nieuwe foto het door Kousbroek toegepaste procédé begint te zien, verrast de auteur met onnavolgbaar originele, ontroerende en werkelijk bijzondere formuleringen. Zijn vergelijkingen hebben soms een Homerische klasse, zoals wanneer hij het geluid van de Noria’s van Quang Ngai beschrijft als van ‘olifanten [die] in rotan stoelen gaan zitten, onder een continu stromende douche.’ Elders omschrijft hij vogels als ‘mensjes met handen in hun zakken’ of de Indonesische, vleermuisachtige kalong als ‘een hond met een dichtgeknoopte regenjas aan.’

 

Al deze kwaliteiten, van stilistische, compositorische en conceptuele aard, maken het lezen en het bekijken van Opgespoorde wonderen tot een betoverend genoegen en dat was meer dan voldoende basis voor de jury om dit boek van Rudy Kousbroek te nomineren voor de Jan Hanlo Essay Prijs Groot 2005.

 

De derde genomineerde voor de Jan Hanlo essay Prijs 2005 mikt in elk geval met de titel van zijn bundel nog hoger dan de beide andere genomineerde auteurs samen: Hoe de wereld in elkaar zit. Dat moet uiteraard niet zo worden opgevat alsof de lezer na ruim tweehonderd pagina’s Bart Tromp precies weet hoe alles werkt. Eerder is die titel op te vatten als een motto, een lijfspreuk waarmee deze essayist en columnist sinds 1979 wekelijks in Het Parool de mechanismen van maatschappij, politiek en cultuur onderzoekt. Zo ontstonden in een periode van 25 jaar zo’n 1250 columns, waaruit de auteur er voor deze bundeling een kleine negentig selecteerde. Uit deze noodzakelijkerwijs selectieve bundeling, waarin politiek en maatschappij overigens ruimer vertegenwoordigd zijn dan de cultuur, komt een scherpzinnig, belezen en oorspronkelijk commentator naar voren, die zijn lezers weet te boeien, bijna onafhankelijk van het specifieke onderwerp van een bepaalde column. Tromp heeft onmiskenbaar talent voor het vinden en op het juiste moment toepassen van een goed citaat van anderen en weet ook de anekdote met verve aan te wenden ter ondersteuning en verlevendiging van het eigen betoog.

 

Vele van de columns in Hoe de wereld in elkaar zit dragen de sporen van hun eerste publicatie in de krant. Verwijzingen naar de actualiteit doen op het eerste gezicht afbreuk aan de houdbaarheid van een boek, maar bij nader inzien versterken ze juist het kroniekachtige karakter van een latere bundeling. Daarbij valt op dat Tromp als betrokken waarnemer er in zijn stukken tegelijkertijd in slaagt de noodzakelijke reflecterende en historische distantie te vinden. Met die combinatie van engagement en relativeringsvermogen laat hij zich in deze overzichtsbundel kennen als een goed geïnformeerde, volstrekt onafhankelijke commentator, die de alledaagse politieke realiteit met een goed ontwikkeld historisch geweten en met een kosmopolitische blik te lijf gaat. Die kwaliteiten en het meer dan onderhoudende karakter ervan, hebben de jury ertoe gebracht om het boek Hoe de wereld in elkaar zit van Bart Tromp te nomineren voor de Jan Hanlo Essay Prijs Groot 2005.

 

Dat laat tenslotte nog slechts één vraag open, namelijk de vraag aan wie de Jan Hanlo Essay Prijs Groot 2005 moet worden toegekend. De jury is ervan overtuigd dat alledrie de genomineerde boeken de kwaliteiten bezitten om een bekroning in beginsel te rechtvaardigen. Alledrie de bundels doen, elk op volstrekt eigen wijze, recht aan de rijkdom waarmee Montaigne het genre vijf eeuwen geleden op de wereld zette.

Piet Gerbrandy, die in Een steeneik op de rotsen als een ideale docent de poëzie en de welsprekendheid over de eeuwen met elkaar verbindt en ons aldus enthousiasmeert voor zijn wijze van lezen en schrijven.

 

Rudy Kousbroek, die in Opgespoorde wonderen uit de antithese van beeld en woord een essayistische synthese tovert, waarmee hij een zoveelste hoogtepunt in zijn beschouwende oeuvre heeft gecreëerd.

 

Bart Tromp, die in Hoe de wereld in elkaar zit laat zien met zijn puntige beschouwingen een ideale commentator te zijn van de wekelijkse politiek in het perspectief van een grotere historische werkelijkheid.

 

Aldus geplaatst voor de keuze tussen de ideale essayistische docent, de essayistische tovenaar en de ideale essayistische commentator, is de jury unaniem gezwicht voor de toverkunst van Rudy Kousbroek. Voor zijn onvergetelijke bundel Opgespoorde wonderen verdient hij bij deze de Jan Hanlo Essay Prijs Groot 2005.


De jury

Hans Renders, voorzitter
Maarten Asscher
Judith Janssen
Nico Laan

 

Amsterdam, 21 september 2005

 

Er is ook een printversie beschikbaar.