JHEP lezing 2005

Marja Brouwers Foto: Jean van Lingen

Marja Brouwers

Wat te denken van het idee van Talpa om een bevalling rechtstreeks uit te zenden op tv? En literatuur die ergens over gaat?

Marja Brouwers heeft zich voor haar lezing laten inspireren door twee recente berichten: het besluit van de Nederlandse regering om de nieuwe televisiezender van John de Mol te verbieden een vrouw te filmen terwijl die in het programma Big Brother haar kind ter wereld brengt en het symposium, dat in oktober plaatsvindt ter gelegenheid van een eredoctoraat voor Gerrit Krol onder het motto 'literatuur die ergens over gaat'.

 

Lezing Marja Brouwers 2007

 

De vrije ruimte van de literatuur, de tegenstem in de monocultuur van de amusementsindustrie, wordt van alle kanten bedreigd. Een verdedigingsrede. Twee berichten kwamen mij gelijktijdig onder ogen op een mooie dag in september. Het een betrof een bezwaar van de Nederlandse regering tegen het plan om een vrouw te filmen terwijl zij in het programma Big Brother haar kind ter wereld brengt. Het andere meldt een symposium, dat binnenkort plaatsvindt ter gelegenheid van een eredoctoraat voor Gerrit Krol onder het motto 'literatuur die ergens over gaat'.

 

Jawel, zo staat het er. Tussen aanhalingstekens. De formulering op zichzelf doet veronderstellen dat Krol iets uitzonderlijks heeft geproduceerd met literatuur die ergens over gaat. Literatuur gaat normaal gesproken nergens over, lijken de dames en heren van de faculteit der letteren aan de Vrije Universiteit per implicatie te willen zeggen. Daarom hebben wij al in geen vijfentwintig jaar een oorspronkelijke gedachte meer gehad. Anderzijds scheppen de aanhalingstekens een onmiskenbaar voorbehoud, er valt zelfs een zweem van spot in te bespeuren. Gerrit Krol ziet er op de folderfoto van de VU dan ook uit als een gearresteerde verdachte, vastbesloten om onder het komende kruisverhoor door Elsbeth Etty geen millimeter van zijn alibi te laten kraken.

 

Hoe anders, hoeveel helderder is de oogopslag van John de Mol op de pagina Media and Communications van de International Herald Tribune! Je zou denken dat iemand die in het openbaar te kijk wordt gezet met een onderuitgehaald ideetje geen reden heeft om zo besmuikt te lachen. Maar John de Mol blijft lachen. Die lacht de hele weg naar de bank. Het plan om een showbevalling uit te zenden, heeft Talpa zoveel aandacht bezorgd dat de zender zich meteen een marktaandeel van tien procent verwierf. In twee maanden. Uit het niets. En met niets, want er zal dus hoogstwaarschijnlijk geen showbevalling uitgezonden worden.

 

Met één klap plaatste de nieuwkomer Talpa zich tussen de marktleiders op een reeds overvolle markt, zo verneem ik uit de Tribune. Wat heet in de televisiewereld een overvolle markt, vraag je je af met je lekenverstand. Maar die business-journalisten kunnen de wonderlijkste zaken in drie woorden uitleggen. Een overvolle markt, dat zijn negen mainstream televisiezenders voor een bevolking van slechts zestien miljoen leeghoofden. Het liefst kijken die naar foeballe. Zenders waarop iets anders te zien is gedragen zich dus als kraampjes die de voorbijslenterende kijker ertoe proberen te bewegen eventjes stil te staan en de koopwaar in beschouwing te nemen. Hier moet ik wezen, hopen ze allemaal dat die kijker zal denken. Hier ga ik mij knollen voor citroenen laten verkopen.

 

Iemand in Den Haag schijnt te hebben bedacht: voor geboren worden op televisie gelden de regels voor kinderbescherming. Is er niet ergens een aanstaande moeder te vinden die dat risico gewoon wil nemen? Laten we niet te snel denken dat er een natuurlijke grens is aan wat mensen bereid zijn te doen om zichzelf op de televisie te laten zien. Als Big Brother trouw bleef aan zijn format, zou er alsnog een bevalling worden uitgezonden, met een paar aandachtverhogende complicaties, waaronder aan een paardenhaar het dreigende zwaard van de Raad voor de Kinderbescherming om de navelstreng tussen de televisiemoeder en de televisiebaby door te hakken, en dat allemaal zonder dat iemand aan het feit dat dit niet kan enig nadeel zal overhouden dat hij of zij om te beginnen niet al had. Het voordeel spreekt vanzelf. Verdubbelde kijkcijfers! Stijgende verkoopwaarde van Talpa Media Holding! Maar ik dwaal af in bedrijfskundig advies.

 

Nooit heb ik in een gids voor radio- en televisieprogramma's de aanbeveling gezien 'een programma dat ergens over gaat'. Televisiekritiek is overbodig. Op de markt waar negen zenders krijsen om de aandacht van zestien miljoen kijkers bestaat maar één kritische instantie waarnaar geluisterd wordt en dat is de Stichting Kijkonderzoek, die de volgende ochtend de cijfertjes op het internet zet.

 

Daarom lijken alle televisieprogramma's op elkaar. Ze hoeven alleen maar deze ene criticus koest te houden, die bij zoveel eentonigheid natuurlijk steeds sneller gaat zappen. Elke poging van programmamakers om nou eens iets heel anders te doen, komt neer op meer van hetzelfde. Onder het altijd wakende oog van de cycloop die de kijkcijfers uitspuwt heet een schep erbovenop al een nieuw idee.

 

Het is verleidelijk te constateren dat de literatuur er een stuk beter voorstaat. Literatuur, de schijnbaar zo bescheiden tegenstem in de genadeloze monocultuur die ons door de amusementswereld wordt opgedrongen, beschikt over een oneindig veel grotere creatieve ruimte. In onze huidige wereld is dit de enig overgebleven ruimte waar nog niets wordt voorgeschreven door de dictatuur van het getal, zodat daar iets werkelijk nieuws tot stand gebracht zou kunnen worden. Maar laten we niet te vroeg juichen. De cycloop zit ook ons op de hielen. Wij zullen onze vrije ruimte te vuur en te zwaard moeten verdedigen, want ze wordt constant van alle kanten bedreigd.

 

Ten eerste aan de oppervlakte. Het geschreven woord, wil het vrijuit beschikbaar blijven, is geholpen met wat papier en een drukpers. In de afgelopen tien jaar is de hele uitgeverswereld ertoe overgegaan naar analogie van de kijkersmarkt een lezersmarkt te veronderstellen. Als we het zo willen zien, dan strijden daar jaarlijks zo'n vierhonderd schrijvers om de aandacht van maximaal hoeveel? Achthonderdduizend lezers. Dit laatste volgens Henk Kraima, die voor de Collectieve Propaganda van het Nederlandse Boek alle kopers van kookboeken en breipatronen mag meetellen. Dat is fijn voor hem, maar nog altijd is het niks in vergelijking met negen televisiezenders op hun markt van zestien miljoen.

 

Je hoeft geen bedrijfskunde te hebben gestudeerd om te begrijpen hoe zo'n veronderstelde lezersmarkt aan het werk gaat. Van de vierhonderd concurrerende schrijvers laat ze er driehonderdvijfentachtig links liggen. Zo blijven er vijftien schrijvers over voor de achthonderdduizend lezers van Kraima. Dat begint ergens op te lijken, maar nog steeds niet op een markt. Als je hier een fatsoenlijke markt van wilt maken, eentje waar bedrijfsmatig iets interessants mee te doen valt, zijn twee schrijvers per jaar genoeg voor dit zielige aantal potentiële kopers.

 

Het is geen wonder dat de uitgevers almaar wanhopiger proberen hun gigantische overproductie aan de man te brengen. En met wat voor argumenten! Nu al 25.000 exemplaren verkocht! Brullen ze ons allemaal tegelijk dagelijks toe op de voorpagina's van de kranten. 50.000 exemplaren verkocht! 100.000 exemplaren verkocht! Naast de marktfantasie lijdt iedereen aan een lezersfantasie. De lezer, dat is in deze optiek iemand die denkt, wow. Als zoveel mensen dat boek kopen, moet ik het ook bliksemsnel kopen. En hopla, hij holt naar de boekwinkel en koopt het. Waarom koopt hij het?

Hij koopt het, denken de uitgevers, omdat hij in de advertentie een kreet aantrof uit het recensiewezen, tegenwoordig gespecialiseerd als toeleveringsbedrijf van superlatieven. 'Overdonderend' roepen al die boekadvertenties, 'schitterend', 'fenomenaal', 'meeslepend', 'prachtig', 'meesterlijk', 'ontroerend' of als het gaat over bijvoorbeeld Gerrit Krol, 'het beste dat hij ooit heeft geschreven'. Maar, zult u zeggen, ze nemen tenminste de moeite om aan het oplagecijfer nog een soort argument toe te voegen.

 

Ja. Deden ze dat maar niet. Wordt het geen tijd om ons eens af te vragen welke volstrekt imbeciele aanblik het literaire bedrijf de serieuze lezer biedt met al dat zwakzinnige gebral? Intussen maakt iedereen zich graag vrolijk over onze politici die nooit boeken lezen. Dat doen ze inderdaad niet, zoals ik onlangs zelf heb kunnen vaststellen op het jaarlijkse Libris-diner in het Amstel Hotel.

 

Zoals u weet wordt daar een literatuurprijs uitgereikt door een jury onder voorzitterschap van een prominente persoon uit het politieke of maatschappelijke leven. Alle eerdere juryvoorzitters krijgen een uitnodiging, waardoor het daar bij dat diner zo langzamerhand is gaan wemelen van de prominenten. De meesten van hen hebben niet alleen de middelbare school afgemaakt, maar zelfs een universitaire studie afgerond. En wat loopt al die excellentie daar ongevraagd de hele avond te zeggen in dat toch hoofdzakelijk literaire gezelschap? Iets boeiends? Conversatie op niveau? Nee hoor. Die loopt daar de hele avond te zeggen 'kept-niet-gelezen'.

 

Schrijvers denken dat de mensen die de wereld besturen geen boeken lezen, omdat die mensen dom zijn. Maar die mensen lezen geen boeken omdat ze denken dat de literatuur dom is. Triviaal. Futiel. Irrelevant. Ze denken dat, omdat ze geen reden hebben om iets anders te denken. Sinds wij ons een markt zijn gaan inbeelden, kunnen er nauwelijks meer serieuze gesprekken over literatuur worden gevoerd. Alle boeken zijn blijkbaar schitterend, of anders onvindbaar. Alle schrijvers worden in de pers behandeld als aandachtfreaks, pathologisch op zoek naar een podium waarop ze zichzelf met hun hele familie te kijk kunnen zetten. Uit het verwarde geroezemoes van de dagbladkritiek treedt het beeld naar voren van een stel rare dames en heren, die aan één stuk door meegesleept en ontroerd willen worden. Met een rotvaart willen ze doorrazen van bladzijde vijf naar bladzijde honderd, snikkend willen ze het volgende meesterwerk savoureren. De meest insipide bedenksels vinden ze prachtig, elk mavo-opstel krijgt een tien. Er is maar één ding waar deze slappe hap nog echt van opkijkt en dat is literatuur die ergens over gaat.

 

Daar schrikken ze van. Dat kan eigenlijk niet. Dat zetten ze gauw tussen aanhalingstekens. Mag ik eens vragen? Waarom zouden de mensen die weinig tijd hebben voor flauwekul dan niet denken dat literatuur irrelevant is? Hun tijd niet waard? Blind getreutel voor verveelde huisvrouwen en leraren in het middelbaar onderwijs met tien weken vakantie, maar niet voor iemand die wat beters te doen heeft?

 

Goed, ik generaliseer. Ik overdrijf. Maar wat ik overdrijf, dat is er. Anders zou ik het niet kunnen overdrijven. Concreet voorbeeldje. Van mijn roman Casino ontving ik een totaal van achtennegentig persbesprekingen. Ik heb ze eventjes geteld, laat ik ook eens met cijfertjes gooien. Zevenentachtig daarvan bespraken niet mijn boek, maar een artikel van Michaël Zeeman die het bestaan had in de Volkskrant iets te schrijven over de thematische aspecten van het boek. Natuurlijk heeft elke roman zowel fictieve als thematische aspecten. Je kunt een boek toch niet bespreken zonder de inhoud ervan op te merken?

 

Blijkbaar wel. Het artikel van Zeeman riep onder de boekbesprekers, en dat zijn er niet weinig, een reusachtige weerstand op. Het idee dat Michaël Zeeman iemand is die boeken niet alleen leest om hun stijl, maar ook nog om wat erin staat, dat idee kon een zeer grote meerderheid van boekbesprekers eenvoudig niet verkroppen. Sommige sloegen er zo van over de kop dat ze meteen maar de conclusie trokken dat het een erg slecht geschreven boek moest zijn, anders zou Michaël nooit hebben ontdekt dat er wat instond. Een jaar later was Elsbeth Etty nog steeds niet uitgepraat over het rare idee dat inhoudelijke aspecten niets te maken hebben met wat zijzelf verstaat onder 'literaire criteria', die ze overigens slechts kon toelichten door een paar andere besprekers over te schrijven.

 

En als Elsbeth Etty niet uitgepraat raakt, voorspelt dat weinig goeds voor de toekomst van het literaire gesprek, want zij is 'Hoogleraar Literaire Kritiek', zoals trots vermeld staat op de aankondiging van dat symposium waar Gerrit Krol zo grimmig naar uitkijkt. Wie zou niet grimmig kijken als hij hem was. Ze hebben hem betrapt op 'literatuur die ergens over gaat' en daar moet hij over praten met Elsbeth Etty!

 

Je durft niet meer te hopen dat zo'n gesprek ergens over zal gaan. Wij zijn niet klein te krijgen, maar we moeten wel eerlijk blijven. De Nederlandse literatuur is in een moeilijke positie beland. Onze uitgevers worden gedwongen om centen te tellen, onze literaire kritiek heeft een papieren dinosaurus geschapen die zich telkens als een enorme dommekracht neervlijt tussen de schrijver en zijn lezers, met het begrijpelijke gevolg dat die lezers ook niet meer weten wat het verschil is tussen literatuur en Big Brother. Nee, wacht. Dat weten ze nog wel. Mensen doen vaak of ze gek zijn, maar als het erop aankomt, zijn de meesten het niet zonder eerst een eind op weg te worden geholpen.

 

Bij Talpa krijg je de naakte werkelijkheid recht voor haar raap te zien. Je hoeft er geen verbeeldingskracht bij in te schakelen. Je moet er zelfs de kans niet voor krijgen en dat is een belangrijk punt. De veelkoppige draak van het alom aanwezige amusement, die zich niet op kritische gronden laat afwijzen, verdient niet alleen een betere stijl, die verdient een beter gevoel. Ik gebruik hier een woord dat vatbaar is voor afgrondelijke misverstanden, dus ik wil dat graag uitleggen.

 

Laten we gevoel niet verwarren met emotie. Als kunst, zoals Kloos dacht, de allerindividueelste expressie was van de allerindividueelste emotie, dan zou een Big Brother-bevalling akelig dicht in de buurt komen van zuivere kunst. Maar dat wordt het niet. De reden is niet het onderwerp, maar een gebrek aan afstand.

 

Alles wat emoties wekt, om welke reden ook, kan het onderwerp worden van een kunstwerk. Maar het kunstwerk wordt pas kunst, krijgt pas stijl, als de emotie is overwonnen. Die oude Kloos met zijn klotsende zee, die slaagt er al meer dan honderd jaar in de jongetjes en meisjes die onze boeken bespreken in de war te brengen met de meest complete nonsens.

 

De expressie van emotie is heel eenvoudig. Bovendien aanstekelijk. Waar er een schreeuwt van woede gaan anderen dat al gauw ook doen. Waar twee mensen huilen, huilt een derde al gauw mee, al weet hij niet eens waarom. Denk aan het massale rouwvertoon rond de dood van prinses Diana of André Hazes. Wat bezielt die mensen? Niets. Lachen is nog aanstekelijker. Ook in de taal ligt de emotionele uitdrukking niet zelden al klaar. In principe is alle taal emotioneel, voor zover we ons beperken tot de taal van de roedel, die altijd emotie veronderstelt.

 

Met die taal heeft de schrijver een rekening te vereffenen. Dat is de definitie van stijl. Stijl is de beheerste emotie, die plaats heeft gemaakt voor iets anders. De uitdrukking van gevoel is niet zo simpel, omdat die altijd in botsing zal komen met de taal van de roedel. Maar alleen gevoel is rechtstreeks communiceerbaar. Emotie niet, die is vooral besmettelijk.

 

De enige eis die je moet stellen aan stijl is dat de schrijver daarin blijk geeft van een zuiver gevoel ten aanzien van zijn onderwerp, dat hij ontziet wat ontzien moet worden en niet ontziet wat het niet verdient te worden ontzien. Dat kan hij pas doen, als hij zijn emoties over dat onderwerp heeft overwonnen.

 

Een cultuur die het gevoel verplettert onder marktdruk raakt zijn hart kwijt, die is ten dode opgeschreven. De wereld die onze kinderen dan zullen aantreffen zal een darwinistische jungle zijn en dat wil niemand. Daarover gaat literatuur.

 

 

Copyright © 2005 Weekbladpers Tijdschriften