Juryrapport 2001

Je vermoedt het, maar je hoort het nooit hardop uitgesproken: het schrijven van essays is een uitgesproken aangenaam werk, iets waarmee de schrijver niet alleen de lezer, maar ook zichzelf een groot genoegen doet.


Het is pure zelfverwennerij. De vergelijking van de essay-schrijver met een spinnende kat is niet vergezocht.

Degene die het onlangs dan eindelijk hardop heeft gezegd is Frank Kermode. Hij promoveerde het genoegen van het schrijven van essays zelfs tot de titel van zijn laatste boek met essays: Pleasing Myself.

 

Het genoegen van het schrijven van essays ontstaat omdat, anders dan een literaire kritiek, een artikel of een column, het essay een uitgesproken vrijzwevend en onafhankelijk genre is. Het moet van niemand, er zit ook niemand op te wachten, er is geen aanleiding van buiten, er is geen deadline, het ontstaat helemaal uit het niets van de solitaire aandrift.


De schrijver van een essay wil aan zichzelf proberen duidelijk te maken wat hij ergens over denkt. Vandaar dat je in het ware essay de schrijver ziet denken.

 

Het zal u niet verbazen dat dit een gewichtig aspect is van de boeken die de jury heeft uitgekozen om in aanmerking te komen voor de Jan Hanlo Essayprijs 2001: De Encyclopedie van de domheid van Matthijs van Boxsel, Oversprongen van Tijs Goldschmidt, en Oud nieuws van Piet Meeuse.

Van alle boeken die de jury heeft gelezen waren het de schrijvers van deze boeken die het onbekommerdst en het doelgerichts hun eigen opwellingen achterna gingen, zonder studieuze pretenties, zonder columnistische vliegen af te willen vangen, maar gestuurd door de aandrift de lezer iets substantieels te vertellen en tegelijk zichzelf een genoegen te doen.

 

De grootste zelfverwenner van de drie is Matthijs van Boxsel met zijn De Encyclopedie van de domheid. Hij beoefent de essayistische schets, als onderdeel van een groter geheel. Het is steeds een klein bravourstukje, door wat hij aansnijdt, maar ook door de ironische en enigszins agressieve toon. Dit is literaire no nonsens. Van Boxsel is iemand die zich niet laat bedotten door tactieken die de domheid willen verhullen, hij onthult die listen zonder genade. Over de domheid mag in de loop van de geschiedenis heel wat geschreven zijn, de jury bewonderde toch allereerst de originaliteit van het onderwerp, de aanpak en de eruditie van Van Boxsel die daarbij tevoorschijn komen.

 

Zou het bij losse essayistische schetsen over domheid zijn gebleven, dan hadden we een verzameling betises gekregen waarvan er al veel bestaan. Maar Van Boxsel wilde meer. Hij wilde tussen alles door ook een informele cultuurgeschiedenis van de domheid schrijven, zodat we kennis maken met een fantastische rijkdom aan goed bedoelde slagen, van de vroegste tijden tot heden. Daarnaast wilde hij niet verhelen dat hij zelf een uitgesproken visie heeft op de aard van het denken en de betekenis van de domheid voor het menselijk bestaan.

 

Van Boxsel is een manische verzamelaar, maar dan wel een met oog voor het saillante, hilarische en bizarre. Anders dan veel verzamelaars staat hij niet neutraal tegenover zijn schatten. Wat hij vindt gebruikt hij om zichzelf te overtuigen van de manier waarop de wereld volgens hem in elkaar zit. Omdat de domheid een veelkoppig monster is moest dat wel een veelzijdige, omsingelde vorm krijgen. Van Boxsel gaat met elke paragraaf en elk hoofdstuk vooruit en bouwt zodoende een ruïneus paleis voor de domheid, maar keert ook steeds weer terug naar de fundamenten, naar zijn centrale stellingen. Die luiden dat al onze cultuuruitingen succesvolle blunders zijn, en dat geen mens intelligent genoeg is om zijn eigen domheid te begrijpen.

 

Met dit steeds terugkerende uitgangspunt zou de Encyclopedie van de domheid makkelijk een ontmoedigend boek hebben kunnen worden - de lezer krijgt ook zijn domheid op elke pagina ingeprent - maar dat gevaar wordt op elke pagina opgeheven door het verrassende aspect dat Van Boxsel steeds weer aansnijdt, van de achterliggende domheid bij het ontwerpen van tuinen, Dantes tocht door de hel, de dwaasheid van triomfbogen tot de holle mens van T.S. Eliot die niets is en zich laat leven.

 

Van Boxsel gaat tot het uiterste om zijn lezers illusies te ontnemen, en kent geen scrupules. Net als zijn helden Baltasar Garcian (schrijver van het cynische Handorakel) en Bernard Mandeville (schrijver van The Fables of the Bees) kent hij geen sentimentaliteit. We moeten niet denken dat de ratio ons leven bepaalt. Het leven wordt bepaald door zeden en gewoonten.

 

Volgens Van Boxsel gaat het gevolg aan de oorzaak vooraf, zijn argumenten rationaliseringen achteraf. Met Lucretius situeert hij de hel niet in het hiernamaals, maar in het aardse bestaan. En de idiotie beschouwt hij als de mystieke grondlag van de beschaving. De encyclopedie van de domheid is een uniek boek waardoor je afwisselend wordt verrast en wordt ontmoedigd. En je kunt er ook agressief van worden, omdat je je wilt verzetten tegen de overtuigingskracht van Van Boxsels voorbeelden, en het onontkoombare, apodictische van zijn betoog. Maar ook al maakt Van Boxsel ons genoegzaam duidelijk dat we ons geen illusies hoeven te maken, we moeten niet vergeten dat het boek op twee benen hinkt: op het signaleren van de allomtegenwoordige domheid, en op het onvermijdelijk optreden van de intelligentie daarbij, hoezeer die ook faalt. Er is geen domheid als er geen intelligentie is. 'Uit angst voor de dood storten we ons in het leven', schrijft Van Boxsel. We moeten dus wel leven. Daarmee redt de Encyclopedie het leven, ook al krijgt dat de gedaante van de mislukking. Van Boxsel speelt alles hoog, vandaar dat hij vindt dat we op zo 'n hoog mogelijk niveau moeten falen.

 

Het mag een grote overgang zijn van de De encyclopedie van de domheid naar Oversprongen van Tijs Goldschmidt, maar de sprong is helemaal niet zo groot. Goldschmidt levert met zijn boek zelfs het materiaal voor een aanvulling op de Encyclopedie van Van Boxsel. Maar laten we het eerst over Goldschmidts vorm van zelfverwennerij hebben. Die schuilt in de esthetische en inhoudelijk eisen die hij aan zijn stijl stelt. Goldschmidt wil beantwoorden aan de eis dat over kennis van biologische, historische en antropologische aard op een soepele, essayistische manier wordt geschreven. Hij wil dat een boek over kennis, zoals hij aan het slot van zijn programmatische essay 'Inpakken of uitpakken?' schrijft, en warme douche voor zowel alfa's als beta's.

 

Als een lichtend voorbeeld noemt hij Richard Dawkins, de schrijver van het vermaarde De zelfzuchtige genen, maar ook van Een regenboog ontrafelen, het boek waarin Dawkins probeert aan te tonen dat wetenschap en poëzie geen vreemden van elkaar zijn, maar heel goed samen kunnen gaan.


Goldschmidt prijst Dawkins omdat hij literatuur maakt van wetenschap, vooral omdat hij zo'n gelukkige hand heeft in het bedenken van metaforen. Metaforen hebben een alles overbruggende kracht en ze behoren zowel tot de wereld van de wetenschap als tot die van de literatuur. Dawkins, en Goldschmidt in zijn voetspoor, vindt niet dat de wetenschap de vleugels van de verbeelding afknipt, zoals de dichter John Keats dacht, maar dat er juist verbeelding nodig is voor het bedrijven van wetenschap en het schrijven er over.

 

Goldschmidt schrijft over vogels, vissen, Papoea's, biologie, biogeografici, over de overeenkomsten tussen mens en dier, de oorsprong van de taal, poëzie, memen en over Nescio, Springer, Hillenius, Alfred Russel Wallace, Nico Tinbergen, Darwin en eilanden als evolutionaire proeftuinen. Deze diversiteit duidt er al op dat hij van afwisseling houdt, steeds door iets anders gegrepen wordt. Maar het belangrijkste, dat wat Oversprongen onderscheidt, is wat je Goldschmidts oog voor de poëzie van de feiten zou kunnen noemen. Hij heeft het in verband met de Russische schrijver Michael Zosjtsjenko over het schrijven van poëtische non-fictie, een hybride genre waarin Oversprongen zelf uitblinkt. Hij noemt het ook wel 'toegepaste verbeelding'.

Je ziet Goldschmidts toegepaste verbeelding aan het werk in het essay over de diplomaat-schrijver F. Springer. Goldschmidt leest Springer met de ogen van een paleontholoog en een etholoog. Daardoor valt het hem op dat in Springers romans de hoofdpersonen zich meestal bevinden in een land dat net een grote turbulentie heeft beleefd, maar nu terecht is gekomen in een periode van evenwicht. Precies zoals paleonthologen zulke dingen opmerken in de geschiedenis van de aarde en de evolutie.

 

Goldschmidts biologische en ethologische oog merkt ook op dat uit het werk van Springer een grote en subtiele kennis van diplomatieke gedragscodes spreekt. Het is alsof hij zijn collega's bekijkt zoals een bioloog het gedrag van apen. Net als de goede bioloog ziet Springer elke afwijking van het vaste patroon. Goldschmidt heeft een zwak voor afwijkingen en afwijkelingen. Vandaar dat hij bewondering heeft voor een personage als Veule in Springers Zaken over zee, iemand die helemaal niet beantwoordt aan de doorsnee diplomaat, maar eerder een oer-Hollandse variant is van Kurtz uit Heart of Darkness, iemand die tegen alle klippen op beschavingswerk doet in de rimboe van Nieuw-Guinea.

Zoals Goldschmidt oog heeft voor de poëzie van kennis en wetenswaardigheden, zo heeft ziet hij de poëzie in de persoon, het leven en het werk van figuren als Nico Tinbergen, Alfred Russel Wallace of Dick Hillenius. Hij maakt van deze drie wetenschappers, die met een vanzelfsprekende en aanstekelijke passie hun werk deden, bijna romanfiguren.

 

En dan nu, dames en heren, waarom Oversprongen een hoofdstuk toe zou kunnen voegen aan de De encyclopedie van de domheid. Een oversprong is een onwillekeurige beweging of handeling die de ruimte tussen de ene handeling en de andere opvult. Het meest voordehandliggende voorbeeld is het op zijn hoofd krabben van een schaker voor hij een zet doet. Goldschmidt noemt deze beweging het afreageren van spanning. Zo'n beweging heeft niets met de eigenlijke activiteit te maken. Volgens Goldschmidt zorgt die beweging voor een 'vrije ruimte', de ruimte die nodig is om iets te wagen. De beweging zorgt voor een toestand van mentale windstilte. Vertaald in de geest van Matthijs van Boxsel: er treedt dan een moment van acute verdomming op. Je zou het het slaapje van de rede kunnen noemen. Volgens Goldschmidt is de vrije ruimte die ontstaat door de oversprongbeweging een essentiële voorwaarde voor het ontstaan van iets nieuws. Daardoor kan een gewaagde sprong worden gemaakt.

U ziet, dames en heren, dat ik nu een oversprongbeweging maak om het te kunnen hebben over iets nieuws, namelijk Oud nieuws van Piet Meeuse. Deze alleen maar schijnbaar tegenstrijdige titel staat voor essays waarin het nieuwe in het oude en het oude in het nieuwe wordt gezocht. Het boek is ook een pleidooi om dat oude in het nieuwe te willen zien, om af te raken van de verslaving aan het nieuwe.

 

Als er één genre in de schilderkunst typerend is voor de werkwijze van Meeuse dan is het het Hollandse doorkijkje. Hij heeft er zelf in zijn vorige boek over geschreven. Het geven van doorkijkjes in de literatuur en cultuur is karakteristiek voor de manier waarop hij zelf te werk gaat. Wat nieuw en op de voorgrond staat is hem niet genoeg. Wij leven wel in het heden, maar dat leven zit vol oud, vooral onbewust cultuurgoed. Meeuse heeft niet alleen oog voor de herhaling van eeuwenoude patronen, maar vindt ze in de huidige cultuur te veel miskend. Meeuse doet voor de Nederlandse literatuur wat Roberto Calasso voor Italië en Europa doet: hij laat de mythologie in het heden zien.

 

Ook al valt het woord 'mythe' om de haverklap, Meeuse is geen mythomaan. Omdat hij zijn klassieken kent valt het hem op dat oude verhalen zich verschuilen in nieuwe verschijnselen. Wat is de kracht van De Openbaring van de Johannes (ook wel de Apocalyps genoemd)? Het verhaal appelleert aan de elementaire angst voor het einde der tijden. Het is een 'vast onderdeel van onze collectieve verbeelding' dat steeds weer opduikt in 'apocalyptische tijden' van rampen, oproer en oorlogen. De Apocalyps gaat voortdurend in reprise. De schrijver van de Apocalyps is bovendien met zoveel dramatisch en profetisch talent te werk gegaan, (alsof hij een libretto voor een opera schreef) dat zijn taferelen elke keer vanzelf in het geheugen terugspringen. Het toont de vitaliteit van de mythologie, schrijft Meeuse in zijn eerste essay.

 

Vitaliteit is natuurlijk precies het woord waar het Meeuse in alles om te doen is als hij het over oude zaken heeft. Maar niet alleen over zaken, ook over schrijvers en dichters als Elias Canetti en William Blake. Wanneer hij het over William Blake heeft duikt er iets van nostalgie op, want Blake is een visionaire dichter bij wie geloof en verbeeldingskracht nog samengingen, iets wat tegenwoordig ondenkbaar is. De 'bezielde energie' die dat bij Blake veroorzaakt, de 'kracht' die uit zijn werk spreekt, vervult Meeuse met een zeker heimwee, alsof hij nu iemand mist die in staat is om collectieve emoties krachtig te verbeelden.

 

Mythologische personages zijn voor Meeuse zo vitaal omdat ze iets personifiëren, staan voor een steeds terugkerende neiging, of dat nu Don Quichotte (idealisme), Ikarus (hoogmoed) of Orpheus (spijt) is. Meeuses aandacht voor de mythe gaat onvermijdelijk gepaard met het reduceren van het belang van originaliteit, uniciteit, het strikt persoonlijke en het bijzondere. Dat zijn volgens hem typische kenmerken van de roman zoals we hem twee eeuwen kennen, de roman waarin het nog maar pas ontdekte individu centraal staat. Twee eeuwen betekenen niet veel voor Meeuse, hij wil een verhaal waarop hij kan kauwen, en dan moet er gewerkt worden met materiaal dat aanzienlijk ouder is. Daardoor kan een personage pas meer dan zichzelf representeren. Meeuse is altijd op zoek naar iets collectiefs, iets van iedereen, iets Elckerlycs. Dat gaat zo ver dat hij de eigenlijke 'zin' van een verhaal buiten het verhaal zelf plaats, bij 'onmenselijke machten' die ons te boven en te buiten gaan.

De paradox wil dat het nu juist Meeuse's oorspronkelijke kijk op de achtergronden van de literatuur is die ervoor zorgt dat de jury Oud nieuws uitkoos om een van drie genomineerde boeken te zijn.

 

Ook nu, dames en heren, nu we toe zijn gekomen aan het essay van Pieter Hoexum dat speciaal voor de Kleine Jan Hanlo Essayprijs is geschreven, is de overgang niet groot. 'Een Laocoon in het Rokin' gaat over de vrije wil en de schoonheid van het kwaad. De aanleiding is het op een ochtend zien van een een aalscholver die in een gracht in hevig gevecht is met een paling. Dit roept associaties bij Hoexum op, en wel met de Laocoongroep, het beeld dat model staat voor de schoonheid van het kwaad. Het mooie aan dit essay is dat het precies doet wat Piet Meeuse zo graag ziet: iets ouds in iets nieuws zien. Door het essay een autobiografische kleur te geven plaatst Hoexum een mythologisch gegeven en een oud filosofisch probleem in een alledaagse sfeer. De schrijver moest naar het griezelige, wreed- mooie tafereeel in de gracht kijken, daar had zijn vrije wil en verstand geen invloed op. Matthijs van Boxsel zei het al: de ratio staat vaak machteloos.

 

Nu dan, dames en heren, zijn we op het punt gekomen dat moet worden onthuld welk boek van de drie uiteindelijk is uitverkoren door de jury voor de Jan Hanlo Essayprijs 2001. Ik ga u niet vertellen dat de jury het moeilijk heeft gehad, dat begrijpt u wel. Wat uiteindelijk de doorslag heeft gegeven is het poëtische feit dat iemand in staat is gebleken om over zaken als biologie, antropologie en ethologie zo te schrijven dat je zowel iets te weten komt en als lezer verwend wordt door zijn oog voor de poëzie van feiten. U begrijpt het: de winnaar is Tijs Goldschmidt.

 

De jury:

Hans Renders, voorzitter
Lien Heijting
Monica Soeting
Carel Peeters

 

Amsterdam 16 oktober 2001

 

Er is ook een printversie beschikbaar.