Juryrapport 1999

Toen het bestuur van de stichting Jan Hanlo Essayprijs zich dit voorjaar boog over een geschikt thema voor deze prijsvraag, heeft het niet voor de makkelijkste weg gekozen. Alle misverstanden over het essay indachtig, wilden we voorkomen dat de nieuw in het leven te roepen prijsvraag aantrekkingskracht zou hebben op de grote schare autobiografische schrijvers die denken dat elke tekst die geen fictie genoemd kan worden, automatisch het predikaat essay verdient. Het thema van deze prijsvraag moest potentiële instuurders eerder afschrikken dan aantrekken, vonden we. Het doel is vanaf het begin immers geweest om een genre te stimuleren waar weinig, te weinig aandacht voor is en waar nauwelijks prijzen voor worden uitgereikt. Het bestuur hoopte dat de Jan Hanlo Essayprijs een paar eigenzinnigen zou uitdagen flink hoog te grijpen. Daarom werd gevraagd om te schrijven over de relatie tussen Woord en Beeld. Het was een opdracht met een tamelijk hoog abstractiegehalte dat naar wij hoopten zou noden tot analytisch denkwerk en helder formuleren.


We zijn - gelukkig - in onze opzet geslaagd. Hoewel er natuurlijk inzenders waren die zich in abstracties verloren, die de betekenis van die begrippen 'woord' en 'beeld' in het vage lieten en ongeremd aan het filosoferen sloegen, wisten de meesten het onderwerp wel degelijk op te nemen in een persoonlijke en min of meer erudiete verhandeling waaruit een onderzoekende, nieuwsgierige geest bleek. Er kwamen geen inzendingen binnen in de trant: 'hoe het is om in een nieuwbouwwijk op te groeien' of 'jaloezie tussen moeder en dochter'. Er bleken, kortom, genoeg eigenzinnigen te bestaan.


Achtenveertig inzendingen ontving de jury uiteindelijk. Achtenveertig essays waarin alle mogelijke onderwerpen aan de orde kwamen: de hiërarchie der zinnen, de eerste woorden van de mens, de kat van Juan García Ponce, de vergruizing van de geest, stripverhalen, prentenboeken, poëzie als vuilnis, het niets bij Judith Herzberg, en natuurlijk, hoewel niet veelvuldig, hier en daar Jan Hanlo.

 

De jury, voor wie alle inzendingen geanonimiseerd werden (we hadden dus echt geen idee wie wat had ingestuurd), is twee keer bij elkaar gekomen. De procedure was simpel. De eerste keer hebben we alle bijdragen besproken - een lange zit waarbij elk jurylid over elk essay haar en zijn mening gaf. Aan het eind van die bijeenkomst werden alle bijdragen die minstens twee leden van de driekoppige jury de moeite waard vonden, apart gelegd. We gingen uit elkaar met de opdracht de elf aldus geselecteerde bijdragen nog eens te lezen. Herlezing zorgde ervoor dat we soms van mening veranderen of een oorspronkelijke mening verzwakten of versterkten.


Onderzoekend, persoonlijk, goed geschreven, erudiet, kritisch, oorspronkelijk, overtuigend, verrassend, informatief of de nieuwsgierigheid opwekkend: er was, bleek tijdens de jurybijeenkomsten, een hele hoop waaraan een goed essay zou kunnen of moeten voldoen. Zelden zijn al die kwaliteiten binnen één essay aanwezig; zelden ontbeerde een essay al die kwaliteiten volledig. In de tweede bijeenkomst, waarbij we opnieuw uitvoerig meningen motiveerden, bleek dat drie van de elf geselecteerde bijdragen erboven uitstaken. Die drie hebben we genomineerd. Dat waren de essays van Peter van Lier, Ewout Hoorn en Joke Hermsen. We zullen hier kort iets over alle drie de essays zeggen.

 

Joke Hermsen
Unheimlich mooi: over (ge)weldadige kunst. Armando, Dumas, Heidegger.

Hermsen gaat in dit essay in op de betekenis van de menselijke belangstelling voor gruwelijkheden in de kunst. Zij betrekt het werk van twee beeldend kunstenaars in haar betoog: dat van de schilderdichter Armando en van de schilder Marlène Dumas. Waarom oefenen de zwarte uitgemergelde koppen op schilderijen van Armando zo'n aantrekkingskracht op mij uit? En wat zeggen mij de monsterlijke baby's van Dumas? Het Schöne en het Böse hebben hier blijkbaar iets met elkaar te maken, meent Hermsen, en zij veronderstelt dat die verbinding van een andere aard is dan de belangstelling voor het gruwelijk-sensationele in bijvoorbeeld de media.

Er is een verschil tussen sensatiebeluste beelden en sublieme gruwelijkheden uit de kunst. Bij haar verdere onderzoek daarnaar brengt Hermsen Heidegger in het geweer. Diens notie van het 'Unheimliche' laat zich volgens haar goed in verband brengen met het werk van Armando omdat de schilder net als Heidegger gefascineerd is door het 'unschöne schöne', én met het werk van Dumas omdat daarin alles wat een eenduidige betekenis krijgt toegekend (De vrouw, De zwarte), geweld wordt aangedaan. Hermsen gaat in op wat er zoal wordt verstaan onder een begrip als 'het sublieme' en hoe het sublieme en het Unheimliche zich tot elkaar verhouden. Waar het schone en het verschrikkelijke samen gaan, waar het Unheimliche opgenomen wordt in het sublieme verliezen zowel gevoel als rede hun grip op de dingen, wordt aan zekerheden gemorreld en kan het vreemde, het niet eigene, het nieuwe ontdekt worden. Joke Hermsen voert je als lezer gedecideerd door deze wereld waar het schone niet alleen maar schoon en het gruwelijke niet alleen maar gruwelijk is.

 

Ewout Hoorn
Where extremes meet.

Ewout Hoorn maakt een avontuurlijke zoektocht door Rotterdam, op zoek naar de poëzie van Octavio Paz. Dat hij nogal associatief te werk is gegaan, is heel logisch als je ervan uit gaat dat poëzie een 'precognitieve emotie' vertegenwoordigt. In dialoog met dichters, liefhebbers van gedichten en toevallige cafégasten wordt op allerlei niveaus over de kunst en de kunst in de openbare ruimte gesproken. Ook de vraag wat schrijven is, wordt bij herhaling gesteld: doel of middel? Tijdens deze tocht door Rotterdam neemt de Octavio Paz naast Hoorn plaats in een auto, samen rijden ze rond en bespreken welke functie poëzie in hun leven heeft.


'Mijn letterbrij mag dan de signatuur van mijnheer Bombarie dragen, de zinnen beschrijven wel hoe de beelden in mijn hoofd zich in woorden vertalen.' En niet alleen in zijn hoofd. Hoorn weet zijn woord- en beeldassociaties zo te beschrijven dat wij er ook nog iets van snappen. Met behulp van proza- en poëziefragmenten van Octavio Paz weet hij aan te geven waarom poëzie belangrijk of ontroerend kan zijn, door tegenstellingen in gedichten vinden we soms iets terug dat we dreigen te vergeten: onszelf. Where Extremes Meet heeft een verrassende vorm, is speels en ook verraderlijk eenvoudig, zoals poëzie kan zijn.

 

Peter van Lier
Gedachten onder een Cromwell helm.

Peter van Lier is een van de weinigen die deze naar Jan Hanlo genoemde prijsvraag heeft aangegrepen om een essay over Hanlo te schrijven. In een speels maar tegelijkertijd consistent opgebouwd verhaal geeft hij aan wat voor Hanlo de mythische waarde van het motorrijden was. De omgang van Hanlo met zijn motorfiets, meent Van Lier, was 'van filosofische aard en het rijden erop was bedoeld om een bepaald soort metafysische ervaringen mogelijk te maken.' De filosofie van Hanlo noemt Van Lier van het absolutistische soort: Hanlo streefde naar volmaaktheid, al wist hij dat die vaak maar een paar tellen kon duren. Die volmaaktheid voor een kort moment vond hij in de wereld van de motorfiets. Vrolijk gaat Van Lier in op het belang van een goed functionerende motor, en maakt daarbij de sprong van Hanlo's filosofische naar zijn praktische werkelijkheid: volgens hem zoekt Hanlo de mogelijkheden van volmaaktheid en geluk gaandeweg steeds meer in de praktijk dan in de theoretische beschouwing. Hij hield van dingen waar je aan kon sleutelen en verbeteren: motoren, gedichten, kinderen. Mooi aan dit essay is dat het aanschouwelijk maakt hoe voor Hanlo die motorfiets het centrum van een ideale wereld kon zijn waarbij zijn identiteit, die ook erg bepaald werd door kijken en bekende worden, met die 'autonome machine' samenviel. Het motorrijden, zo betoogt Van Lier, is een manier om een eigen absolute wereld te construeren. Vanuit het zogenaamde 'motorgevoel' nam Hanlo steeds grote risico's, onder meer door veel te hard op zijn Vincent 1000 CC te rijden.


Het hardrijden is onderdeel van het motorrijden, onderdeel van Hanlo's identiteit maar ook, door het ingecalculeerde risico van de dood, onderdeel van het leven. Het geloof in geluk, iedere keer als hij weer levend van zijn motor afstapte is de gespiegelde werkelijkheid van het bewustzijn dat een ongeluk een einde aan het motorrijden, aan het leven, aan een identiteit kan maken. Jan Hanlo interesseerde zich voor het bestaan in zijn totaliteit, ook voor het niet bestaan. Dit metafysische bewustzijn heeft Peter van Lier op transparante wijze voor het voetlicht gebracht.

 

De jury:
Mirjam van Hengel, redacteur Tirade
Barber van de Pol
Hans Renders,voorzitter

 

Amsterdam, 30 september 1999

 

Er is ook een printversie beschikbaar.